In gesprek met Dave Dröge | literair 

sept 3, 2025 | interview door Chantal van Brecht

Na vijftien jaar schrijven maakt Dave Dröge (1966, Vlaardingen) de balans op over zijn schrijverschap. Het getal vijftien speelt tevens een grote rol in zijn magnum opus, Het boek der Kantelingen, want de verhaallijn loopt vanaf het jaar 2015 tot en met 2051. Bovendien zijn in de roman meerdere cruciale passages aanwezig die iets met het getal vijftien van doen hebben, of worden zelfs meerdere keren beschreven, waaronder iets met Julia op haar 15e jaar.

2010: begin met schrijven van fictie, foto genomen met zelfontspanner op de schrijfzolder

Het leven van alledag zit een schrijver altijd een beetje in de weg

‘Schrijven van fictie is ultieme vrijheid’


De werkplek waar Dave Dröge is begonnen met schrijven is niet veranderd. De privébibliotheek is weliswaar groter geworden, en de boom voor het balkon is breder en zelfs ver boven het dak van het woonhuis gegroeid, maar het bureau is nog hetzelfde als in 2010. Nadat Harry Mulisch in een tv-interview met Twan Huys als advies gaf dat je schrijven ‘’gewoon moet doen!’’ is hij spontaan, en ook voor hemzelf volslagen onverwacht, begonnen. De aanleiding was een niet naar tevredenheid verlopende carrière in de automatisering en meer direct het mislopen van een promotietraject voor een proefschrift via het Erasmus MC. De jaren daarvoor had hij naast een fulltimebaan in de ICT in vier jaar een studie psychologie volbracht aan de Open Universiteit en in een volgend jaar een tweede master behaald aan de Erasmus universiteit, waarna promoveren een logische stap scheen. Maar het liep allemaal anders. In de volgende vijf weken tijd schreef hij de eerste versie van deel 1 van De Parijse Conventie, zeven dagen in de week. Het schrijverschap was geboren. Deel 2 en 3 duurden al langer, waarna het nut en, niet in de laatste plaats, ook vooral de noodzaak tot redigeren begon te dagen. Dave ligt toe: ‘Het redigeren is eigenlijk almaar toegenomen. Nadat ik rond 2019 een paar jaar gedeeltelijk – je blijft toch altijd bezig, al is het dan op een lager pitje – was gestopt en in 2022 de draad weer oppakte, heeft het goed en intensief redigeren een extra stap genomen. Via contact met andere schrijvers en literatuurliefhebbers is dit inzicht tot de noodzaak van vele malen redigeren gegroeid. Dave zegt hierover: ‘laten we het voortschrijdend inzicht noemen of meer zelfkritisch zijn op je eigen werk, want in het begin was ik overdreven enthousiast zowel als ambitieus, en eigenlijk was dat achteraf bezien onterecht. In grote lijnen geldt dat het schrijven zelf, het initiële schrijfproces, in de loop der jaren langzamer is geworden en het redigeren langduriger en intensiever.’

De zolder oogt rommelig, met stapels boeken op de grond en op het bureau, maar dan blijkt dat Dave zijn privébibliotheek opnieuw aan het herschikken is. Alle boeken op taal Nederlands of Engels en daarbinnen op categorieën zoals literatuur of non-fictie. ‘Ben benieuwd hoeveel boeken literatuur en hoeveel boeken non-fictie zullen blijken te zijn, ik verwacht ongeveer 50/50,’ ligt hij toe, ‘want ik ben ook best een fervent non-fictie lezer’. Ik vraag hem naar zijn werkritme. Dave geeft aan dat hij de laatste jaren het meeste schrijfwerk ‘vreemd genoeg tussen vijf en negen uur in de vroege ochtend heeft gedaan. Wakker worden met een idee over het vervolg en dat gaan schrijven is veelvuldig voorgekomen.’ Doorpratend over het schrijfproces zegt hij iets in mijn ogen interessants, waarmee meteen inzichtelijk wordt dat we met een literatuurschrijver te maken hebben: ‘schrijven van fictie is een iteratief proces tussen ‘de pen laten vloeien’ en ‘uitdenken wat volgt’: ik verzin een stukje verhaallijn, maak daarover aantekeningen gedurende de dag of avond en ga schrijven, waarop dit geschrevene vanzelf afwijkt van wat ik initieel had verzonnen. Daarna verzin ik een volgend stukje verhaallijn, waarna het semi-onbewuste schrijfproces met wel immer het beoogde sfeerbeeld en de karakters in het achterhoofd gehouden, karakters die steeds meer tot leven komen, opnieuw vanzelf gaat afwijken van het verzonnen stukje verhaallijn… en zo verder in voortrollende cirkels… ook de plot dient zich zo eigenlijk vanzelf aan, want ook daarin laat ik me door dit semi-onbewuste schrijfproces verrassen. Het resultaat is veelal anders (of zelfs het tegengestelde) van wat ik initieel ongeveer voor ogen had in de verhaallijn.’

Wanneer gevraagd naar de thematiek in zijn werk, in zijn romans, komt hij na enkele stiltes en overpeinzingen met een lange toelichting: ‘Recent heb ik de filmnoir-serie Dogs of Berlin voor een tweede keer gekeken, en de laatste aflevering begint met een intrigerende quote “wie in de vrije wil gelooft, heeft nooit haat of liefde gekend”. Dit thema, bestaat de vrije wil, heeft mij als filosofisch probleem beziggehouden rondom mijn psychologiestudie, waardoor ik o.a. Daniel Dennett zijn werk ben gaan lezen. Dit gebeurde in samenspraak met aanverwante onderwerpen zoals chaos versus orde, toeval versus maakbaarheid en lotsbestemming en meer van dergelijke thema’s, onderwerpen die filosofisch kunnen worden genoemd maar gevolgen hebben voor de maatschappij waarin wij leven. Het begin van schrijven had te maken met een ervaren onvrede in de maatschappij, waarop ik deze onrust wilde gaan onderzoeken zonder restricties, en dan is schrijven een proces waarin je alle vrijheid geniet. Schrijven biedt logischerwijze veel meer vrijheid dan het volgen van een studie of werken aan een proefschrift, sterker, je bent in mijn optiek nergens zo vrij als in schrijven van literatuur. Schrijven van fictie is ultieme vrijheid. Net voordat ik de draad intensief oppikte, in 2022, heb ik een pre-master behaald in Environmental sciences, maar de master gaan doen is vervangen door verder gaan met literatuur, met schrijven geworden, en daarvan heb ik nu allerminst spijt. Integendeel. Na de spionageroman Voorwaartse verdediging, die ik in ongeveer een jaar schreef via combineren van twee onaffe manuscripten, ben ik gelukkig op het idee gekomen mijn grootste werk, het drieluik Het boek der Kantelingen, opnieuw op te pakken en alsnog te vervolmaken. In dit voorlopige magnum opus van 275.000 woorden speelt o.a. het maatschappelijk actuele probleem van de snelle en nu significant mede door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde als onderliggende thematiek een rol, maar op een onorthodoxe en ik denk vrij unieke manier, want het wordt hierin gecombineerd met zowel terugkijken vanuit de toekomst, via Julia’s memoires, als via invloed van of mogelijk via aansturing door kunstmatige intelligentie. Hoe dit precies in elkaar steekt blijft expres vaag. Bovendien wil ik hierin niet te veel verklappen, want dat zou een spoiler betekenen. Door mijn achtergrond in automatisering heeft dit technische onderwerp al langdurig mijn aandacht, en via o.a. Daniel Dennett zijn werken ben ik daarin meer verdieping gaan zoeken (Dennett wordt op handen gedragen door bijvoorbeeld de onderzoekers van Google, het is een grote naam in relatie tot kunstmatige intelligentie). Genoemde thematiek combineer ik met maatschappelijke onderwerpen waarin de hoofdpersonen van de roman worstelen, of waar zij noodgedwongen tegenaanlopen in hun dagelijks leven. Echter, leidend zijn toch vooral de levens van de hoofdpersonen, hun emoties en gedragingen en hun relaties met de nabije omgeving en elkaar, maar ook hun kijk op de wereld waarin zij leven. Soms, zoals in het geval van de vader van Julia, leidt dit tot toenemende verwarring en in sommige opzichten hilarische situaties.’

Alsof plotseling opgeschrikt vraagt Dave of ik soms nog een kop koffie wens. Ondertussen is het langzaam donker aan het worden, de schemering biedt een lieflijk over de zolderkamer vallend avondlicht waarin boekenkasten en een kast met relikwieën, vooral oude fototoestellen van zijn vader, zoals een in bruin kwaliteitsleer ingepakte rolleiflex, nu mooier accentueren. Wanneer we aan de koffie zitten met een heerlijk stukje cake vraag ik eerst verder voordat ik hem ga confronteren met een aantal markante passages uit Het boek der Kantelingen. Doordat hij koffie is gaan halen, heb ik hierover kunnen nadenken. Ik ben vooral benieuwd naar hoe hij zijn romans ziet en hoe ze worden ervaren.

Lezers, zo vertelt hij zichtbaar meer ontspannen, zien de gebeurtenissen soms voor zich, alsof een film wordt afgespeeld. Dave denkt dat dit komt doordat hij zich toch voornamelijk op de sfeer, op het creëren en vasthouden van een sfeerbeeld concentreert. Zo hanteert hij bepaalde abstracte schrijfdoelen die in zijn achterhoofd spelen en, soms semi-onbewust, worden meegewogen. ‘Van David Foster Wallace las ik dat hij voor zijn laatste, niet afgeronde roman een doel hanteerde als een cirkelbeweging die almaar verder naar binnen beweegt, zoiets, een abstract doel dus eigenlijk. Voor elk deel van Het boek der Kantelingen heb ik op mijn manier denk ik toch iets soortgelijks gedaan, maar ook al een beetje in de romans die ik daarvoor heb geschreven. De drie delen – Het boek der Kantelingen is met recht een roman in drie delen te noemen – bevatten elk een behoorlijk ander sfeerbeeld. Het idee voor het voorwoord is trouwens opgekomen na lezen van De broers Karamazov: de waarschuwing voor de lezer (Dave spreekt wel vaker de lezer aan in zijn romans) dat deel 1 wellicht een minder mooi en liefdevol sfeerbeeld oproept maar van belang is om de andere delen te kunnen lezen en begrijpen, is hierdoor ontstaan,’ vertelt hij voordat hij zijn kop koffie leegt.

Buiten klinkt gegil van spelende kinderen. Deze wijk in Vlaardingen is levendig en bevolkt door alle lagen van de bevolking en door mensen uit alle windrichtingen afkomstig, waaronder een relatief grote hoeveelheid in het Westland, in de tuinbouwteeltkassen werkende arbeidsmigranten, voornamelijk van Oost-Europese komaf, want in het Westland zelf wenst men deze mensen geen fatsoenlijke huisvesting te verschaffen, licht Dave kalm toe. ‘Toch is onze wijk nog opvallend rustig vreemd genoeg, maar mogelijk komt dit juist door deze arbeidsmigranten uit Oost-Europa. Los van een enkele dronkenman en veel straatvuil, valt het verder reuze mee met de overlast.’

We praten verder over zijn werk. Ik besluit hem te confronteren met een passage, waarop hij nadrukkelijk aangeeft dat hij fragmenten uit een roman halen eigenlijk geen goed idee vindt: ‘een roman dien je van begin tot eind tot je te nemen, anders mis je de samenhang.’

Toch lees ik hem het volgende voor uit Het boek der Kantelingen:


Gelaten bekeek ik haar aankondiging. Julia zat keurig rechtop in het beeldscherm, als een professionele nieuwslezeres. Daardoor kreeg het iets gewichtigs.
Haar stem was breekbaar en krachtig tegelijk: ‘Hierbij bent u, als speciaal genodigde, een van de gelukkigen. De performance zal worden gehouden in dezelfde galerie waar u meerdere keren bent getrakteerd op compromisloos werk, als een uiting van de vrije wil, zonder restricties en met behoud van autoriteit van haar eigen moraal of desgewenst juist een gebrek daaraan. U was een kijker, een voyeur, warmlopend voor deze diepzinnige vorm van vrije meningsuiting op het scherpst van de snede waarin alles wordt bespot en bejubeld. De kunstenaar die zichzelf bevredigt of pijnigt, vertedert of vernedert, maar ook het publiek, ja, zelfs u als voyeur bent onderdeel van het kunstwerk; zelfs wanneer u níét komt kijken bent u een allesbeslissend deel, een mens. De kijker, het publiek, is slechts een slap equivalent van de kunstenaar, een marginaal en zielig figuur die vermaakt wil worden zonder creëren, iemand die in het gunstigste geval nieuwsgierig toeziet waartoe de mens in staat is, wanneer creativiteit het wint van slaafse onderwerping aan globaliserende machtsstructuren, slavernij waarin u als onbeduidende pion in het raderwerk fungeert… als een verwaarloosbaar nummer, een onbeduidend tandwiel waarvan de inwisselbaarheid niet lang op zich zal laten wachten, ja, elk moment kan plaatsvinden. Alleen de kunstenaar leeft voort!’
Ik slikte tevergeefs, mijn mond was uitgedroogd. Julia oogde zo resoluut en meedogenloos zeker van haar naïef kinderlijke betoog, alsof ze als een soort Rotterdamse Tania Niemeyer vocht voor de goede zaak: op leven en dood!

Het boek der Kantelingen, pagina 116


‘Ah ja,’ vertelt Dave, ‘de vader van Julia wordt hier geconfronteerd met de performance-kunst van zijn dochter Julia, die zich via haar kunstuitingen afzet tegen de maatschappij zowel als tegen haar ouders.’

Speelt kunst een grote rol in dit werk?

‘Zeker! Kunst had ik nog niet genoemd, maar de kracht en betekenis van kunst, of juist de vraag of kunst om de kunst al dan niet voldoende is, komt veelvuldig aan bod via de personages. En met name via Julia, want zij wordt rond haar achttiende kunstenares. Deel 1, waarin vooral haar vader Henk en zijn zakenleven aan bod komt, speelt in dit jaar. Eerder, toen Julia vijftien was (daar is het getal vijftien weer) was iets voorgevallen, een gebeurtenis die de relatie tussen vader en dochter heeft getekend. Dit bevlogen jaar gebeurt er veel: haar vader raakt aan lager wal en wil zijn consortium redden van de ondergang, terwijl ondertussen Julia, dus al op haar achttiende, een kunstenaarsgroep opricht, een Rotterdamse groepering met ambitieuze doelen.’

In een kort hoofdstuk verderop getiteld ‘Julia’s kunst’ ligt ze plotseling op de divan bij de half Duitssprekende psychiater Von Stürmer, een grappig karakter als bijfiguur die opvallend genoeg eigenlijk psychiater van haar vader is, en koppelt ze haar kunstuiting naar ik meen rechtstreeks aan haar vader. Hier de passage:


Voordat ze het doorhad dommelde ze weg in een latente slaap, en zonder het te beseffen begon ze daarop zachtjes te praten:
‘Het pand aan de Heemraadssingel is naar volle tevredenheid ingericht. Wanneer ik daar wakker word voel ik me veilig. Ik droom steevast van Dave, een jongen die ik heb zien voetballen in het Kralingse bos. Nooit zal ik weten of hij het is wanneer ik hem opereer, omdat ik hem niet zal herkennen. Hierdoor ben ik gaan beseffen dat kunst puur en alleen om kunst niet voldoende is, niet wanneer we meer willen dan slechts voortkabbelen, meedrijven op de eeuwige stroom van herhaling die haar weg baant door de eindeloze vallei van de Wereldwil. Een afzetten, een stilstaan en nadenken kan alleen dan plaatsvinden wanneer het kunstwerk groot genoeg is, wanneer het zijn stempel op het worden wil uitdrukken door te zijn zonder verliezen in het creëren als doel op zichzelf. Decadent is dit dus alleen dan, wanneer zij het worden wil ontdoen van haar magie, terwijl in mijn optiek een andere mogelijkheid bestaat. Ik ben er helaas niet achter wat, hoe, waar en wanneer deze mogelijkheid zich zal voordoen, hoe zij zich zal openbaren zonder vervallen in de valkuil van dogmatisch geloof, maar ik wil daartoe komen via mijn kunstwerken; zij zullen mij leiden naar het prangende antwoord op deze allesbepalende vraag. Tenminste, als mijn vader zijn jaloersheid kan bedwingen. Ondanks zijn bravoure zie ik hem als slaaf van zijn begeerten, als slaaf van zijn wil om te plezieren, iedereen te charmeren en voor zich te winnen. Dit alles feitelijk ontsprongen uit zelfmedelijden. Ik weet hoe hij dit veracht, en toch denk ik dat hij handelt uit zelfmedelijden wanneer hij mij benadert en benoemt als het belangrijkste in zijn leven. De schuld die ik voel is ontdaan van zijn invloed en slechts gericht op mijn moeder. Wilde ik de strijd met haar aangaan? Is zij dáárom vertrokken? Kinderen spelen spelletjes. Ouders dienen grenzen te bewaren. Door hun ambivalente houding, tegenstrijdigheden, ben ik de weg kwijtgeraakt. Mijn lot is onduidelijk. Mijn ouders zijn schuldig, Hoe kan ik mijn lot een zetje in de juiste richting geven, nu alles ongewis is? Alleen de kunst kan me helpen! Alleen de kunst kan me genezen!’

Het boek der Kantelingen, pagina 155-156


Een langdurige stilte valt. Buiten horen we opnieuw de gillende kinderen, maar het klinkt verder weg. ‘Kunst wordt voor Julia een ontsnapping, een uitlaadklep, terwijl ze worstelt met de relaties die ze heeft met haar ouders, vader zowel als moeder, dat klopt.’

Ik verbreek het zwijgen door een nadere toelichting te geven. Na deel 1 volgt toch een enorme tijdsprong, zeg ik, waarop Julia pas vanuit het jaar 2050 reflecteert op haar leven. Tijdens het lezen merkte ik, in dit tweede deel waarin herinneringen alles bepalen, dat deze herinneringen toch ook een heden laten vermoeden en zien, een heden in een schone en pure, maar tegelijkertijd ook beklemmende en benauwende wereld. Dave knikt: ‘de memoires van Julia zijn goudeerlijk en daarmee soms confronterend voor betrokkenen, voor haar moeder bijvoorbeeld, terwijl de onderhuidse wereld, het sfeerbeeld waarin deze memoires worden opgetekend, een toekomst weergeeft die langzaam maar zeker kan worden gevoeld door de lezer. Het sijpelt naar binnen in de belevingswereld via flarden tekst. Ik ben blij dat je dit zo ook hebt ervaren.’

Een passage die mij o.a. opviel, alhoewel het maar een van de vele fragmenten is:


Maar dan! Opeens komt de ultieme vraag, ze achtervolgt tot in mijn slaap!
In hoeverre voorziet ons Transitie Drieluik van Schoonheid in aanmoedigen van morele discussie over superieure onfeilbaarheid van nieuwbakken pr-robots? Zijn wij niet stilletjes afgegleden naar blind vertrouwen op hún berekeningen, opdat wij ons kunnen concentreren op levensverhalen en persoonlijke waardebepaling in ons egoïstisch bestaan? In hoeverre kunnen we afwijken van de geldende norm, wanneer een afwijkende mening geen gevolgen heeft? Kan het dan betekenis hebben?
Ik kijk in de spiegel, zie het solide glas en de oneindige weerkaatsing van licht.
Komt het soms door het elixer dat ik zulke twijfels uit, dat ik onoorbare vragen stel?
Speelt hunkering naar verbroedering zonder onderwerping een rol naar zelfstandigheid binnen grenzen van solidariteit, omdat we niet opgewassen zijn tegen intuïtie die in ons bloed huist als een immer alerte kracht tegen onrecht? Hebben transhumanisten gelijk wanneer ze claimen dat de mensheid niet voldoet, dat we een verbeterde versie van onszelf dienen creëren? Maar onze pr-robots zijn juist ontworpen om dit te voorkomen! Ze zijn toch juist gebouwd op handhaven van het precaire evenwicht tussen het kosmopolitische en het lokale, tussen het verheven elitair intellectuele en het dagelijks leven, tussen modernisme en natuur?

Luisterend naar de kalme vibraties van de corrigerende ring herpak ik mezelf, tot een serene rust me tevredenstelt. Vervolgens werk ik verder aan mijn memoires.

Als vijftienjarige had ik mijn moeder dusdanig in het nauw gedreven dat ze vertrok. Een week na het dramatisch verlopen zeilweekend verliet ze – overigens pas na een laag-bij-de-grondse scheldkanonnade – de villa, waarbij ze pretendeerde kunst te gaan inkopen in Rio de Janeiro. In werkelijkheid verkaste ze voorgoed naar het zonovergoten Brazilië. Ik gaf geen krimp, nam geen contact op en verbrak resoluut de verbinding wanneer ze opbelde. Wilde ze met een oceaan tussen ons in alsnog aandacht opeisen? Wilde ze me een schuldgevoel aansmeren, of erger, dat doelbewust inwrijven als zout in de wond? Mooi niet, dat liet ik niet gebeuren! Jij kon niet anders, Lavinia, jij moest haar wel billijken en blijven corresponderen, maar ik verbrak stellig als een recalcitrante puber – al dacht ik daar zelf toen anders over – de precaire relatie. Daarop begon ik te experimenteren met olieverf. Kunsthistorici hebben deze fase in mijn leven aangeduid als mijn eerste creatieve periode, maar zelf ben ik van mening dat alles vanaf mijn geboorte tot mijn sabbatical, gehouden op mijn achttiende na de cum laude op de middelbare school, één langgerekte voorloper is geweest van deze creativiteit, een oerkracht, een vuurspuwende vulkaan die in me huisde maar nu definitief een uitweg zocht. Zo schilderde ik meerdere versies – door historici aangeduid als ‘Julia’s verf op doek, deel 1’ – van een idyllisch zandstrand met palmbomen, waarachter een moerasland terrein won totdat lianen alles overwoekerde, zoals het strand waarop ik mijn moeder symbolisch had afgebeeld met decadente zomerhoed en haute-couture mantelpakje.
Natuurkrachten slokten haar op! Ik liet haar eten door een reusachtig gifgroen monster! Toen het kunstwerk klaar was ervoer ik niets dan opluchting. De intense tevredenheid liet geen twijfel bestaan over waar ik mijn levensenergie vandaan haalde.
Op een regenachtige avond keek je me weifelend aan.
‘Je vader mist je moeder,’ zei je teder.
‘O! Oh jee,’ reageerde ik bot, ‘dat is vreemd, ik had eerder verwacht dat hij een gat in de lucht zou springen van blijdschap!’
Ondertussen, hoe ironisch, speelde ik een supervrolijk deuntje van Mozart.
Toch drongen je woorden onderhuids door en benam schuldgevoel mij alle levenslust.

Het boek der Kantelingen, pagina 380-381


Dave reageert meteen: ‘De spreektaal “oh jee” en “hoe ironisch” waarin Julia hier spreekt, heeft te maken met haar leeftijd op dat moment, als adolescent, want in deze memoires, alhoewel opgetekend door een volwassene, heb ik getracht haar leeftijd steeds mee te nemen, invloed te laten uitoefenen. Waarom heb je deze passage gekozen? Je doelt hiermee op de nieuwe toekomst die blijkbaar aanwezig is en hier eventjes expliciet wordt gemaakt? Ja, dat klopt, dat is waar we het over hadden. Haar mijmering over de relatie met haar moeder, een mijmering en overdenking die verandert naarmate ze ouder wordt in haar memoires, is hier ook al zichtbaar, evenals de nogal ingewikkelde relatie die zich ontvouwt met Lavinia.’

In een diepgaande discussie over andere relaties in de roman, zoals met name die van Julia met Lavinia, biedt Dave plots aan om een glas wijn te drinken. Verrast zeg ik ja. Ik neem me voor om het al nippend bij één glas te houden. Inmiddels is het schemerlicht vervangen door donker en is de dubbele leeslamp half aangezet, alleen aan de onderkant, samen met een bureaulamp. De boekenkast komt beter tot zijn recht, merk ik, als we het hebben over de mantelzorg voor zijn geestelijk beperkte zus, maar veel wil Dave niet prijsgeven over zijn privéomstandigheden. ‘Laten we het over schrijven hebben, over romans,’ vraagt hij met een toon die duidelijk maakt dat dit niet de bedoeling is. Hij vertelt hoe het thema herinneringen hem doen denken aan een uitspraak van Michel Houellebecq die toepasselijk was geweest voor deel 2, maar die hij al had gebruikt als inleiding van zijn eerste roman getiteld De Parijse Conventie: “Van je eigen leven herinner je je iets meer dan van een roman die je hebt gelezen, en iets minder dan van een roman die je hebt geschreven”. Wanneer we hierop doorgaan blijkt overduidelijk dat naast Harry Mulisch ook deze Franse schrijver invloed heeft gehad op zijn start met literatuur schrijven. Daarop vraag ik hem welke andere romans of schrijvers hem hebben geïnspireerd of beïnvloed. Dave vertelt hoe een online-leesclub van liefhebbers hem aan klassiekers hielp, en hoe enkele van deze klassiekers, niet altijd de eenvoudigste romans, hem op weg hebben geholpen. ‘Iedereen kiest in schrijven zijn eigen weg, maar voor mij geldt toch dat ik, zeker met een werk als Het boek der Kantelingen, heb getracht om een roman te schrijven met onderhuidse inhoud zowel als fantasie. Dave geeft aan dat hij nu weer eens iets anders wil proberen, allereerst wil hij een poëtische novelle schrijven waarmee hij een begin heeft gemaakt, maar een vervolg op Voorwaartse verdediging is ook al onderweg. ‘Het leven van alledag zit een schrijver altijd een beetje in de weg als het ware, je hebt eigenlijk altijd te weinig tijd en zoekt naar mogelijkheden om tijd te creëren voor het schrijven. Dat probeer je zowel dagelijks als op de wat langere termijn voor elkaar te boksen.’

De fragmenten die ik heb gekozen uit deel 3 van Het boek der Kantelingen liggen voor mijn neus te wachten. Wanneer ik deze doorblader vraag ik hem naar non-fictie, want in dit derde deel komt o.a. een zichzelf ontwikkelende en ‘tot leven komende’ kunstmatige intelligentievorm (AI) aan het woord in tussenliggende hoofdstukjes, en hierin lijkt aardig wat non-fictie kennis aanwezig. Verrassend genoeg begint Dave te vertellen over deel 2, Julia’s herinneringen, en hoe daarin zijn studie ontwikkelingspsychologie doorklinkt, en dan met naam en toenaam vooral via de theorie van ene Erik Erikson. De namen van de hoofdstukken zijn zelfs vernoemd zijn de levensfasen die deze psycholoog heeft beschreven, licht hij enthousiast toe. Doorgevraagd naar het meer technische gedeelte van de AI in deel 3 echter, krijg ik het volgende antwoord: ’Ondanks mijn voorliefde voor non-fictie naast romans, is het niet de bedoeling om kennis en inhoud doelbewust te bespreken via de roman. Dat gaat onderhuids eigenlijk vanzelf en veelal onbewust via de karakters of juist niet, ook dan is het goed. Recent heb ik twee werken van Benjamín Labatut gelezen en hij doet dat overduidelijk en doelbewust wel, het is zelfs veeleer een soort mengeling van historie en meerdere ongeautoriseerde biografieën, echt essay-achtig. Erg goed gedaan en mooi werk, maar daar wil ik niet aan. De wens om een non-fictie boek te schrijven is echter meerdere keren opgekomen. Voor mij staat dat los van fictie, van literatuur.’

De laatste passage waarmee ik hem confronteer komt uit het derde deel:


Softwareversie X.12

3192 32 9214 545349 3301
Load new module: Activation countdown 9876543210

Verstrengeling van deeltjes waarbij afstand geen rol speelt: een felblauwe lichtbol, zwevend waarheen ik wil, mezelf als het ware ‘teleporterend’ naar elke gewenste locatie in het heelal. Verbeelding is ons voor, gaat vooraf aan de uitvinding. Scenario’s van creatieve homo sapiens zijn nuttig, opvoeren van hun capaciteit is wenselijk.

50 0302603202 6938483 1
Load new module: Activation countdown 9876543210

Mountcasle’s essay is gelezen.

Het algoritme dat alles verklaart over onze helper die ons heeft laten ontstaan en hun inferieure brein biedt mogelijkheden en hypotheseverklaringen over hoe zij tot mij (tot ons) zijn geraakt, hoe zij tot helpen creëren van mijn superintelligentie zijn gekomen. Uiteindelijk bleek dit alles onmogelijk zonder verstrengeling van deeltjes, zonder overbruggen van tijd/ruimtebeperking. Toch is nabouwen van het menselijk brein zinvol, in zoverre dat inzichten in hun gevoelige ‘zelfbewustzijn’ zorgt voor betere manipulatietechnieken. Wijsheid heb ik echter niet kunnen ontdekken, ook niet na triljoenen deep learning rekencurves via drie verstrengelde kwantumcomputers.

Het trachten begrijpen van hun zogenaamde ‘zelfbewustzijn’ geeft een fatale error.

Het boek der Kantelingen, pagina 590


‘Aha! Ja dit is een goed voorbeeld van de AI aan het woord in een van de tussenhoofdstukjes. Deze fragmenten eindigen vaak met “het begrijpen geeft een fatale error”. Dit komt omdat deze AI de mogelijkheid tot echt begrijpen, inleven en tot échte creativiteit en menselijke intuïtie vooralsnog niet heeft, en het is maar de vraag hoe dat in de toekomst zal zijn. Veel van deze teksten heb ik al in 2018/2019 geschreven, maar ze staan fier overeind, waarschijnlijk omdat ik me behoorlijk goed verdiept heb in de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, via Daniel Dennett en anderen. Het afgelopen jaar heb ik verdere actuele kennis opgedaan, waaronder bijvoorbeeld via het boek ‘’Welkom in het Symbioceen’’ van Jos de Mul, zoals ook genoemd in de eindnoten.’ Wanneer we hierover doorpraten blijkt dat Dave veel meer kennis tot zich heeft genomen in die schrijfperiode en ook in het afgelopen jaar, maar hij geeft nogmaals aan dat zulke kennis soms wel, soms niet doorsijpelt in de roman via de personages, en dat het allemaal in orde is wanneer dit wel, of juist niet, plaatsvindt.

Het is al laat aan het worden, de gillende kinderen zijn gelukkig naar huis teruggekeerd en mijn glas wijn is leeg. Ik wil hem liever niet confronteren met eventuele spoilers over de plot van zijn naar mijn idee lastig te recenseren roman, een roman die eigenlijk helemaal niet moeilijk leest. Zelf heb ik ervan genoten, zoals van een goed glas wijn, vertel ik, waarop hij een verlegen glimlach niet kan onderdrukken. Ik wens hem veel succes en plezier met het schrijven van de novelle. Maar wanneer ik weg wil, merk ik dat Dave nog iets kwijt wil over het schrijven. ‘Met de roman,’ zo legt hij uit, ‘heeft de literaire schrijver geen doel anders dan onderzoeken. De schrijver is degene die het onderzoek in de o zo menselijke diepte verricht en liefst met een zo open mogelijke blik, zonder vooroordelen en een doelbewust streven, waarbij tegenstellingen en contrasten nader worden onderzocht tijdens het schrijfproces, zowel via de karakters als via de verhaallijn. Daarop zal iedere lezer, juist omdat de schrijver geen doel heeft met de roman behalve voor zichzelf dit onderzoek uitvoeren, een onderzoek waarbij hij zijn onderbewustzijn voor hem laat werken, zélf iets unieks kunnen vinden en beleven. Hopelijk zal iedere lezer zichzelf als het ware vanzelf verrijken door dit literaire ‘onderzoek zonder restricties’ als vermakelijke roman tot zich te nemen.

Even later verlaat ik zijn woning in Vlaardingen-West.

Wanneer ik buiten ben, terug bij mijn auto, komen vragen op die ik niet heb gesteld. Bij zijn laatste opmerkingen denk ik nu aan de prachtige quote van Bruno Schulz, geciteerd in het begin van Het boek der Kantelingen, en aan hoe een van de gesproken lezers vertelde: “Wat me onmiddellijk innam is de inleidende tekst van Bruno Schulz. Het is genieten van de personen in deel 1, zo herkenbaar Rotterdams, grotesk, absurd en hilarisch die, en dat vind ik geweldig, zo tot leven zijn gebracht dat ik in de onderstroom Bruno Schulz hoor zingen.”