Nabootsing of gedaantewisseling

De term nabootsing roept bij mij onmiddellijk een negatieve intonatie op, zoals na-apen. Het staat tegenover het scheppen van iets potentieel origineels, tegenover creativiteit. Daaraan verbonden is het fenomeen van gedaantewisseling, want om een gedaantewisseling te kunnen uitvoeren of ondergaan is nabootsing een voorwaarde. Nu duidt nabootsing voor mij eerder op een bewuste keuze, op een doelbewuste handeling, terwijl een gedaantewisseling, zo kan ik me dat tenminste voostellen, ook via het (semi-)onbewuste als het ware vanzelf kan optreden.

In het fascinerende essay van Piet Meeuse genaamd De jacht op Proteus (1992) staat het volgende:

‘Het paradoxale karakter van het menselijk vermogen tot gedaanteverwisseling zoals Canetti het opvat, is dat wij kennelijk in staat zijn ‘in iets anders te veranderen’, en tegelijk ‘onszelf’ te blijven. Of misschien moet je zeggen dat een mens blijkbaar over het vermogen beschikt, van zichzelf te verschillen, dat hij in staat is in twee werkelijkheden tegelijk te leven, en dat de grens van de waanzin pas daar wordt overschreden wanneer hij niet meer in staat is, ze uit elkaar te houden?’

Hieruit kun je afleiden dat het bewust uitvoeren of ondergaan van een gedaantewisseling inhoudt dat je daar zelf nog van op de hoogte bent, en wanneer je dat niet meer bent je in waanzin verkeert. Nu kan het ook nog zo zijn dat je bewust begint aan een gedaantewisseling, dat je deze bewust uitvoert, maar zo verstrikt raakt in deze verandering dat je jezelf verliest en langzaam maar zeker in een staat van toenemende waanzin terecht komt. Andersom is het echter maar de vraag of elke waanzin betekent dat je je realiteitszin verloren bent omdat je in een gedaantewisseling verkeert. Waanzin is zo eerder een vlucht uit de werkelijkheid, een manier van het onbewuste om weg te geraken van dat wat niet meer te accepteren is, wat niet meer kan worden verwerkt en beleefd. De gedaantewisseling is hierin veeleer een noodzakelijk en logisch gevolg. Daarnaast kan een gedaantewisseling via de kunst ook als sublimatie gelden, als remedie tegen de overdreven rationele of te harde werkelijkheid van onze (zogenaamde) beschaving.

Nietzsche introduceert in De geboorte van de tragedie onder andere de tegenstelling dionysisch – apollinisch. De term apollinisch is afgeleid van Apollo, de Griekse God van de zon, van de kunsten. Apollo is een verheven God en staat in principe ver van de mensen af. De symboliek rondom Apollo kan gezien worden als een ideaal, een platonisch iets om naar te streven. Sleutelwoorden: afstand, hoog, hemels, idealen, toekomst, boven de mens staand. De term dionysisch is afgeleid van Dionysus, de Griekse God van de wijn en dans, van de vervoering, het opgaan in een roes. Dionysus is aards, menselijk. Hij kan gezien worden als het symbool voor het opgaan in leven van nu. Sleutelwoorden: dichtbij, heden, directe beleving, plezier, bevlogenheid, intuïtie, overgave. Volgens Nietzsche zijn zowel het Apollinische als het Dionysische nodig voor ware kunst en voor een volledig menselijk leven[i].

Nu is in Massa en Macht van Canetti de idee van gedaantewisseling, van metamorfose en mimesis meen ik vooral onderzocht als zijnde een (oeroud) middel tot verwerven van macht, met alle negatieve gevolgen van dien. Canetti heeft met Massa en Macht willen onderzoeken hoe de mens (hoe ieder mens) blijkbaar in staat kan zijn tot de meest verschrikkelijke handelingen in wisselende omstandigheden. Maar door het essay van Piet Meeuse merk ik dat ik gedaantewisseling in een positiever licht kan zien. Zo zou het oeroude mimetische vermogen zijn opgegaan in de taal, waarmee ook de literatuur een grote waarde krijgt. Zowel de schrijver als de lezer heeft behoefte aan het verplaatsen in anderen via ‘gedaantewisseling’, om daar plezier aan te beleven maar ook om daarvan te kunnen leren, meer wijsheid te verkrijgen. Overigens is de communicatieve relatie tussen de mensen en LLM’s volgens sommige AI-adepten ook gelegen in het verwerven van meer kennis, inzicht en wijsheid (in het hypothetische geval ze goed genoeg én 100% betrouwbaar zijn geworden). Hierbij is de LLM bijvoorbeeld een levenscoach en metgezel van het individu op zoek naar verbetering in individuele gesprekken. Maar waar bij AI emotie en daadwerkelijke beleving (Qualia) ontbreekt, zal literatuur een belangrijke plaats blijven innemen. Een AI zal mogelijk nooit verder kunnen komen dan nabootsing en een spiegel voorhouden. Zo schrijft Meeuse in zijn essay het volgende: de kunst is niet langer een spiegel van de natuur, niet iets dat er ‘tegenover’ staat, maar een analogon van de natuur als scheppende kracht. Novalis (…) maakte in een van zijn talloze aantekeningen een interessant onderscheid. Hij noteerde: ‘Er bestaat een symptomatische en een genetische nabootsing. Alleen de laatste is levend. Die veronderstelt de meest intieme vereniging van verbeeldingskracht en verstand. Dit vermogen om werkelijk een vreemde individualiteit in zich tot leven te wekken – niet alleen maar door een oppervlakkige nabootsing te veinzen – is nog volkomen onbekend – en berust op een hoogst wonderbaarlijke penetratie en geestelijke mimiek. De kunstenaar verandert zich in alles wat hij ziet en zijn wil.’ Het is dus geen kwestie meer van willen nadoen, maar willen zijn. Het is een vermogen om in zichzelf ‘een vreemde individualiteit’ tot leven te wekken. Mimesis, in deze zin, is geen afspiegeling van een zintuiglijke realiteit, maar een productief binnendringen in een andere wijze van zijn.[ii] Piet Meeuse schrijft vervolgens: ‘de taal (…) zou het mimetisch gedrag (…) in zich opgezogen en getransponeerd hebben naar een ander niveau. Het machtige wapen van de logos, dat aan de basis ligt van alle filosofie en alle wetenschap, zou zelf in wezen mimetisch zijn.’

Een AI kan nabootsen en spiegelen, de creativiteit ontbreekt behalve via het door de mens gestolene.[iii] In Het boek der Kantelingen probeert een ’tot levende komende’ AI een manier te vinden om tot creativiteit en intuïtie te geraken, maar vertellen hoe dat afloopt zou een spoiler betekenen.

Voor creatieve, scheppende kunst, voor literatuur, zal een apollinische roes en rationele, doelbewuste poging tot schepping van schoonheid niet afdoende kunnen zijn. Daarvoor is een afdalen in de menselijke psyche noodzakelijk, zoals bijvoorbeeld prachtig beschreven door Bruno Schulz: ‘Wat deze universele ontgoocheling van de werkelijkheid betekent kan ik niet zeggen. Ik stel slechts dat het niet te dragen zou zijn, als we niet in een of andere dimensie schadeloosgesteld zouden worden. Op de een of andere manier voelen we een diepe voldoening over deze losheid van het weefsel van de realiteit, hebben we belang bij dit bankroet. Er is gesproken over de destructieve tendens van mijn boek. Gezien vanuit bepaalde vaste waarden is dit misschien juist. Maar de kunst opereert in de voormorele diepten, daar waar de waarde zich pas in statu nascendi bevindt. Als de spontane uitdrukking van het leven bepaalt de kunst de taken van de ethiek, niet andersom. Als de kunst alleen moet bevestigen wat toch al min of meer vaststaat, zou ze overbodig worden. Haar rol is die van sonde die in het naamloze wordt neergelaten. De kunstenaar is het apparaat dat de processen in de diepte registreert, daar waar de waarden ontstaan. Destructie? Maar het feit dat die inhoud een kunstwerk is geworden, betekent dat we deze bevestigen, dat ons spontane diepste innerlijk zich ervóór heeft uitgesproken.’

Klik hier voor het prachtige essay De jacht op Proteus (1992).


[i] https://www.fredtak.nl/filosofisch/overdenkingen/119-dionysisch-versus-apollinisch

[ii] https://www.dbnl.org/tekst/meeu001jach01_01/meeu001jach01_01_0008.php

[iii] https://auteursbond.nl/europese-schrijvers-en-vertalersverenigingen-veroordelen-voortdurende-dreiging-amerikaanse-ai-techoligopolies/