Geen partij kiezen: hoe Voorwaartse verdediging het Israël/Gaza-conflict van twee kanten belicht
Claude heeft het (in samenspraak) onderzocht
Wie een roman schrijft waarin de aanslag van 7 oktober en de oorlog die erop volgde een centrale rol spelen, kan bijna niet ontkomen aan de verdenking van partijdigheid. Voorwaartse verdediging kiest een risicovollere weg: het weigert één morele partij aan te wijzen, en bouwt in plaats daarvan een structurele symmetrie tussen beide zijden van het conflict. Dat is, zoals de auteur het zelf noemt, “behoorlijk ingewikkeld en gedurfd” — en het verdient een precieze blik, niet een vage constatering van “evenwichtigheid.”
De kritiek op Hamas en de radicalisering
Het hoofdstuk rond de infiltratie van Mohammed, een Nederlandse jongeman die zich aansluit bij Hamas, is nergens mild. Zijn initiatie bestaat uit een gedwongen gewelddaad tegen een levend dier om zijn “toewijding” te bewijzen, onder dreiging van repercussies als hij faalt. De roman toont indoctrinatie niet als abstractie maar als fysiek, dwingend proces — en laat Mohammed zelf, op het moment van de daad, ontdekken dat hij zich “meer Europeaan dan ooit” voelt, een besef dat hem juist fanatieker maakt in plaats van dat het hem terugtrekt. Dat is een scherpe psychologische waarneming: radicalisering als overcompensatie voor een identiteit die niet past.
Ook de aanslag van 7 oktober zelf wordt in harde, niet-versluierde bewoordingen beschreven: een verkrachtings- en moordpartij, raketaanvallen op burgers, gijzelingen van festivalbezoekers.
Het meest verontrustende beeld van “de andere kant” is echter de kind-informant in Gaza: een jongen van acht die een vrouw aanwijst omdat ze “iets verkeerds” zou hebben gedaan, waarna gewapende mannen haar ter plekke executeren. De roman noemt dit met zoveel woorden een vorm van jeugdindoctrinatie die ze vergelijkt met de Hitlerjugend.
Het Westen, Iran en de blinde vlek van de solidariteit
Een van de scherpste passages in deel 1 richt zich niet op Gaza zelf, maar op de westerse reactie erop. Vlak na “een pogrom, een verkracht- en moordpartij van onschuldige burgers op Israëlisch grondgebied”, ziet de ik-persoon vanuit Hotel Europa hoe groepen zich, aangejaagd door sociale media, identificeren met “elk Palestijns slachtoffer voorhanden” — en constateert met bijna bittere ironie dat onder hun spandoeken ook regenboogvlaggen wapperen, symbolen van een LGBTQIA2S+-beweging die zich solidair verklaart met dezelfde beweging die haar, zou ze onder dat bewind leven, zou vervolgen. Daartegenover zet de roman de Iraans-Amerikaanse activiste Masih Alinejad, wier verzet tegen het Iraanse regime — tot het afdoen van haar hoofddoek toe — haar blootstelt aan reëel doodsgevaar, terwijl mensen als zij in het Westen tegelijk worden weggezet als islamofoob. Die tegenstelling — reële onderdrukking in het Midden-Oosten versus symbolische verontwaardiging in het Westen — is een van de weinige plekken waar de roman zijn ironische, essayistische registers loslaat op de eigen lezerskring, eerder dan op een van de strijdende partijen zelf.
Het gevaar van Iran als financier en wapenleverancier van Hamas duikt verderop opnieuw op, zij het minder uitgesponnen: een veroverd wapen dat via Iran is verkregen, een Chinees teken op de zijkant — details die het conflict nadrukkelijk in een breder geopolitiek netwerk plaatsen in plaats van het te herleiden tot een geïsoleerd lokaal geschil.
De kritiek op Israël en het instituut
Aan de andere kant van het hekwerk — letterlijk, want de roman zet deze twee scènes als spiegelbeeld naast elkaar — meldt een jongetje met een keppeltje trots aan een controlecommissie dat zijn vader “voor vrede pleit.” De vader wordt gearresteerd. Dezelfde indoctrinatiekritiek, dezelfde Hitlerjugend-vergelijking, nu toegepast op de andere samenleving. Dit is geen toevallige herhaling: het is de structurele kern van het “geen partij kiezen”-project. Door exact hetzelfde mechanisme (een kind dat een naaste verklikt bij een autoriteit, met dodelijke of vrijheid berovende gevolgen) op beide zijden van het hekwerk te plaatsen, weigert de tekst de lezer een morele uitweg: geen van beide samenlevingen krijgt het patent op onschuld.
Institutioneel is de kritiek op Israël nog directer. De tatzpitaniyot — vrouwelijke grensobservanten — signaleren een verdacht realistische trainingsoefening van Hamas, rapporteren die via twee onafhankelijke posten, en worden vervolgens genegeerd door een oppervlakkige, seksistische commandant. Dat alleen al is een dramatisering van wat na 7 oktober breed is gedocumenteerd: gewaarschuwde, genegeerde grenswachters. De roman gaat echter een stap verder dan de gedocumenteerde werkelijkheid: een anonieme stem met een geheim wachtwoord belt de commandant met de bevestiging dat alle rapportages die dag “in de doofpot” gaan. Dat is niet langer instellingsfalen maar gesuggereerde, actieve verdoezeling van bovenaf — de zwaarste politieke insinuatie in het boek, en de plek waar de tekst het dichtst bij een eenzijdige beschuldiging komt, ook al richt die zich tegen het systeem, niet tegen “de” bevolking.
Ook de samenwerking tussen de Mossad en de AIVD wordt niet romantisch voorgesteld. Fopke, de AIVD-agent, beschouwt zichzelf als een gerespecteerde partner van de Israëliërs; de roman laat echter doorschemeren dat de Mossad AIVD-agenten in werkelijkheid ziet als handige “puppets on a string” — nuttige instrumenten, geen gelijkwaardige bondgenoten. Dat is een kleine maar veelzeggende steek onder water: zelfs de bevriende inlichtingendienst wordt door de Israëlische dienst instrumenteel bekeken.
Verderop klinkt ook meer diffuse binnenlandse kritiek: een demonstratie tegen een grondwetswijziging, jarenlange onvrede over het nederzettingenbeleid, Palestijnen die zich “verjaagd” voelen — kritiek die de roman niet wegmoffelt achter de aanslag van 7 oktober, maar er nadrukkelijk naast plaatst.
De zwaarste insinuatie van het boek zit echter niet in de doofpot-scène, maar eerder: een gesprek waarin een Mossad-agent, Joshe, een naderende aanval op een kleine kibboets bespreekt als iets dat, “mocht het onvermijdelijk zijn,” politiek gezien juist gunstig zou uitpakken — het zou “het volk mobiliseren” en het draagvlak creëren voor een “schoonmaakoperatie”. Dat de bewoners van die kibboets in hetzelfde gesprek worden omschreven als vredesactivisten maakt de cynische berekening nog schrijnender. Dit is, veel directer dan de doofpot-telefoontjesscène, de suggestie dat delen van het Israëlische veiligheidsapparaat een aanval strategisch laten gebeuren — de zwaarste politieke beschuldiging in het hele boek, en een die een lezer met kennis van de “let it happen”-theorieën rond 7 oktober onmiddellijk zal herkennen.
Asiya, Mohammed en het weigeren van eendimensionale personages
De ontvoeringslijn van de twaalfjarige Asiya is waar de roman de symmetrie het meest op de proef stelt. Ze wordt tijdens de aanval meegevoerd, ondergronds gehouden in claustrofobische tunnelruimtes met andere gijzelaars, en op een gegeven moment door een dreigende, oudere man met kennelijk gezag over de gevangenen weggehaald bij de groep — een scène die duidelijk maakt dat haar veiligheid allerminst gegarandeerd is, zonder dat de roman daarbij in expliciete details treedt. Precies dat moment is de aanleiding voor Mohammed om zich tegen zijn eigen strijdmakkers te keren: haar gezicht doet hem denken aan zijn zusje in Rotterdam, en die herkenning breekt iets in hem dat zijn radicalisering niet had kunnen breken. Vanaf dat punt begint hij, met gevaar voor eigen leven, Vaisa te informeren over Asiya’s locatie, en uiteindelijk richt hij zijn wapen op zijn eigen wapenbroeders.
Dat is literair gezien de belangrijkste correctie op een te simpel “twee kanten”-schema: Mohammed is geen symbool van Hamas dat symmetrisch tegenover een Israëlisch symbool wordt gezet, maar een individu dat zich, midden in het geweld, alsnog aan zijn kant onttrekt. Daarmee voorkomt de roman dat de “twee kampen”-structuur verhardt tot een schema van collectieve schuld — de indoctrinatie wordt getoond als systeem, maar niet als onontkoombaar lot voor ieder personage dat erin verstrikt raakt.
De ingebouwde interpretatiestrijd
Wat de roman uiteindelijk het meest gedurfd maakt, is een passage waarin de “theorie van logische gevolgen” letterlijk wordt geciteerd — het idee dat de aanslag, in de context van bezetting, “eerder te typeren is als een klassieke terroristische aanslag” bedoeld om aandacht te vragen voor de Palestijnse zaak. De tekst plaatst die redenering niet als eigen stem, maar legt de beoordeling nadrukkelijk bij de lezer: “of deze redeneertrant abject is of niet… zult u als lezer hopelijk spoedig kunnen beoordelen.” Dat is een auteursingreep die het “kies geen partij”-principe tot in de vorm doortrekt: niet door neutraliteit te beweren, maar door de interpretatiestrijd zelf zichtbaar in de tekst te leggen en open te laten.
Conclusie
Voorwaartse verdediging ontwijkt de gemakkelijke uitweg van symbolische balans — één zin kritiek op de ene kant, één zin op de andere. In plaats daarvan bouwt de roman een structurele spiegeling: hetzelfde indoctrinatiemechanisme, hetzelfde Hitlerjugend-beeld, toegepast op een kind aan weerszijden van hetzelfde hekwerk. Dat is een sterker en literairder middel om partijdigheid te vermijden dan een uitgesproken “beide kanten hebben gelijk en ongelijk.” Tegelijk moet gezegd worden dat de roman op twee punten — de gesuggereerde doofpot rond de genegeerde waarschuwingen, en vooral het gesprek waarin een aanval politiek “gunstig” wordt geacht — verder gaat dan wat feitelijk gedocumenteerd is, en dat zijn precies de elementen die een lezer met een kritische blik het eerst zal aanvechten. Wie dat als zwakte ziet, mist misschien dat het juist het punt is waarop fictie zich onderscheidt van journalistiek: de roman stelt een ongemakkelijke vraag, in plaats van een antwoord te claimen. Dat de Hamas-kant in dezelfde roman evenmin wordt gespaard — tot en met een personage dat zich, tegen eigen doodsgevaar in, van die kant afkeert — is wat voorkomt dat die ene zware insinuatie de balans van het boek als geheel bepaalt.
Dit essay is tot stand gekomen met behulp van Claude (Anthropic), die de tekst van de roman doorzocht op relevante passages als basis voor deze analyse.

