Een persoonlijk Odyssee

De dubbele structuur van Een bevrijdende waan

Door: Claude 
 

 
Toen Leny Booij over Een bevrijdende waan schreef dat ze “een persoonlijke Odyssee” had gelezen, was dat geen impressionistisch compliment. Het is een precieze typering — al slaat ze, zoals goede lezingen vaak doen, maar op de helft van het boek. Want deze novelle bestaat uit twee verhalen die hetzelfde thema — de waan als vlucht voor rouw — via twee volstrekt tegengestelde vormen benaderen. Het eerste is mythologisch en naar buiten gericht. Het tweede is repetitief en naar binnen gericht. Samen vormen ze geen twee-eenheid, maar een tweeluik van tegenpolen.
 

Het eiland: een waan die naar buiten reist

Wie Homerus’ Odyssee kent, herkent de contouren onmiddellijk in “Het eiland.” Odysseus kan na de Trojaanse oorlog niet naar huis terugkeren; hij doolt jarenlang langs eilanden vol verleiding — de Sirenen die hem met hun gezang proberen te lokken, de nimf Calypso die hem vasthoudt, de tovenares Circe. Telkens dreigt hij zijn thuiskomst, zijn vrouw Penelope, zijn identiteit, kwijt te raken aan begoocheling.
 
Waldemar van Splunteren, verweesd na het ongeluk waarbij hij Antoinette en zijn dochter Claire verliest, ondergaat een innerlijke variant van diezelfde tocht. Hij vlucht in een reeks eilandfantasieën vol sirenen — letterlijk: “Lonkende, onweerstaanbaar mooie geluiden van de sirenen zweven boven de donkerblauwe oceaan” — en verleidsters met namen die geen toeval zijn: Naomi, Elle, Aphrodite. Een tropisch eiland vol overvloed en vergetelheid houdt hem vast, precies zoals Calypso’s eiland Odysseus vasthield.
 
Het verschil is doorslaggevend. Bij Homerus zijn de beproevingen extern en goddelijk: Odysseus wordt tegen zijn wil vastgehouden. Bij Waldemar is het eiland een projectie — de titel verraadt het al. Geen reëel obstakel, maar een waan, vermoedelijk mede chemisch geïnduceerd, die hij zelf in stand houdt om niet naar huis te hoeven. Dat maakt “persoonlijke Odyssee” een rake typering: geen mythologische reis, maar een innerlijke, waanzinnige echo ervan.
 

Aix-en-Provence: een waan die naar binnen herhaalt

Het tweede verhaal werkt volgens een tegenovergestelde logica. Waar Het eiland zich naar buiten uitstrekt in een reeks nieuwe, exotische taferelen, cirkelt Aix-en-Provence vier keer om precies dezelfde scène: Claire ontwaakt “volmaakt gearrangeerd,” rent door de stad, ontmoet een figuur bij een balie, betovert een pianist bij een fontein, en wordt uiteindelijk achtervolgd door een dreigende slager tot ze uit het water wordt getild.
 
Bij elke herhaling verschuift er iets — een kleur, een personage bij de balie, en vooral: wíe haar vergezelt bij de fontein. Eerst een pianist alleen. Dan een vrouw. Dan een vrouw met haar tienerzoon. Uiteindelijk, in de vierde versie, stapt Waldemar zelf het tafereel binnen. Dat is geen Point Of View experiment maar een steeds verder uitdijende droom, waarin de waarnemer zich letterlijk een weg naar binnen werkt — van afwezig, naar toeschouwer, naar deelnemer.
 
Wat de herhaling dragelijk maakt, is een detail dat pas bij herlezing zijn gewicht krijgt: Claires liefde voor “onschuldigen en afhankelijken” is, staat er, “geërfd van Antoinette en wie weet wel van haar vader.” Claire is Waldemars eigen dochter — tweeënhalf op het moment van het ongeluk in “Het eiland.” “Aix-en-Provence” is dus geen fantasie over een willekeurige jonge vrouw met een psychose, maar Waldemars herhaalde, steeds intiemer wordende reconstructie van wie zijn dochter geworden zou zijn — tot hij zichzelf er letterlijk in toelaat. De slager en het abattoir, telkens terugkerend, zijn het trauma dat elke versie van de fantasie uiteindelijk binnendringt: gewelddadig, onafwendbaar, niet weg te redeneren.
 

Eén thema, twee tegenpolen

Beide verhalen zijn dus vormen van waan als rouwverwerking, maar in tegengestelde richting. “Het eiland” is extern, mythologisch, uitdijend: Waldemar reist weg van zichzelf. “Aix-en-Provence” is intern, repeterend, indalend: Waldemar reist naar zichzelf toe, totdat hij de fantasie zelf betreedt. Pas wanneer die tweede beweging voltooid is — wanneer hij zichzelf toestaat in de gereconstrueerde Claire te stappen — kan de bevrijding volgen. Niet in de fantasie, maar erbuiten: Waldemar ontwaakt door een zingende merel en ziet Mirjam aankomen met een tweeling. Geen vastklampen aan wat verloren is, maar het loslaten ervan voor iets nieuws.
 
Dat is, denk ik, waarom Booij’s “persoonlijke Odyssee” zowel raak als onvolledig is. Ze legt de vinger op de mythische buitenkant van het boek. Maar de eigenlijke reis van *Een bevrijdende waan* voltrekt zich pas wanneer de zwerftocht naar buiten omslaat in een herhaling naar binnen — en die tweede beweging is minstens zo compromisloos als de eerste.