Mitleid in Een bevrijdende waan

Mitleid in Een bevrijdende waan

Door Claude (maar zelf verbeterd/aangepast).

Schopenhauer

Schopenhauer functioneert in Een bevrijdende waan als een instrument waarmee Waldemar zijn eigen falen probeert te begrijpen.  Al vroeg in het boek (De beslissing) grijpt hij naar diens esthetiek — troost zoeken “in het sublieme van de kunst” — en de roman laat dat middel vooralsnog bewust mislukken. Waar bij Schopenhauer de contemplatie van kunst de Wil tijdelijk kan doen verstommen, staat Waldemar juist bloot aan een Wil die zich niet zomaar laat sublimeren: rouw als een kracht die zich in beginsel aan elke esthetische bezwering onttrekt. Dat de roman deze mislukking expliciet markeert, suggereert dat het personage Schopenhauers oplossing kent, citeert, en tegelijk laat instorten voor het dramatisch effect, totdat het plot zich ontvouwt.

Filosofie biedt hier vooralsnog geen troost, maar geldt als document van haar eigen ontoereikendheid.

Diezelfde ambivalentie keert terug in De vogelgids, waar Waldemar de dukun-praktijken afdoet als iets waar Schopenhauer op zou neerkijken, namelijk als een “een verdorven vorm van sensibiliteit“, ondergebracht bij de lagere genoegens van de Wil. Veelbetekenend is dat de roman deze filosofische reflex zelf inbedt in een overlevingsstrategie: Waldemars filosofiestudie is, zo wordt met zoveel woorden gezegd, geen intellectuele luxe maar een manier van overleven na de dood van zijn vrouw en kind. Filosoferen als een symptoom van het trauma dat het probeert te begrijpen — een mise en abyme die de these ondersteunt dat rationele distantie in deze tekst permanent gecompromitteerd is door de ervaring die ze beweert te ordenen.

Mitleid en dierenleed

Het punt waarop Mitleid het scherpst naar voren treedt, ligt echter niet in de expliciete Schopenhauer-citaten, maar in een terloopse juridische observatie in De vermissing. Waldemar constateert dat dieren wettelijk evenveel bescherming genieten van hun lichamelijke integriteit als “een vouwfiets” — namelijk “geen enkele, behalve als eigendomsobject”. Dat is, zonder de naam te noemen, exact Schopenhauers these dat moraliteit niet aan rationaliteit gebonden zou moeten zijn, maar aan het vermogen te lijden. De roman trekt hier een lijn tussen twee vormen van weerloosheid — het gestroopte dier en het door rouw verwoeste gezin — die elkaar spiegelen zonder ooit expliciet te worden gelijkgesteld. Juist die ongemarkeerde parallel maakt de passage sterker dan een directe filosofische uitspraak zou zijn: mededogen wordt niet beargumenteerd, het wordt doorvoeld door de compositie van het verhaal zelf.

Van Thielens assertieve pessimisme

Tegenover dit mededogen staat een ongeromantiseerde laag die dichterbij Van Thielens assertieve pessimisme in ‘Zij nam het vlees’ aanleunt dan bij Schopenhauers Mitleid. Al vroeg klinkt de Upanishad-echo: “eten of gegeten worden” — een leven begrepen als cyclus zonder verlossing, niet als iets waarvoor mededogen een uitweg biedt. Ook de klaagzang die “meedogenloos” weerkaatst en “geen ontkomen” toelaat, tekent een wereld die onverschillig is voor lijden, in plaats van er — Schopenhaueriaans — compassie voor op te wekken. Het scherpst gedramatiseerd wordt deze spanning in Waldemars eigen innerlijke stem “zonder zelfcompassie,” die hem influistert zichzelf te moeten vernietigen, tegenover Antoinettes onvoorwaardelijke liefde. Hier wordt de vraag die Van Thielen filosofisch stelt — houdt mededogen (voor de ander, voor zichzelf) stand tegenover een wereld of psyche die geen genade kent? — niet beantwoord maar belichaamd: als een conflict tussen twee stemmen die het personage pas in het slotakkoord (ogenschijnlijk) weet te verzoenen.