Seismograaf van een uiteenvallende wereldorde
Door Claude, blog over de geopolitiek in Voorwaartse verdediging
Er zijn romans die geopolitiek als decor gebruiken, en er zijn romans die geopolitiek als onderwerp hebben.
Voorwaartse verdediging doet iets anders: het behandelt geopolitiek als een systeem waarvan de logica zelf literair onderzocht wordt — met alle onbetrouwbaarheid, gefragmenteerde waarheid en morele schemerzones die daarbij horen. Wie het boek leest als spionagethriller alleen, mist de kern. Wie het leest als politiek pamflet, ook. Het interessantste van deze roman is dat hij weigert om van geopolitiek een decor te maken waartegen een privéverhaal zich afspeelt; hij maakt van geopolitiek zélf het probleem dat om vertelling vraagt, omdat feitelijke duiding tekortschiet.
De opening als methode
De roman opent niet met een uitleg, maar met een executie. Fopke en Sophie verlaten een zakelijke ontmoeting met de wetenschap dat “de onafhankelijke bevestiging van de tiende oktober onbetrouwbaar” is — en worden vervolgens op straat neergeschoten door onbekenden in gepantserde busjes die spoorloos verdwijnen. Er volgt geen verklaring. De lezer weet op pagina één al wat het boek daarna voortdurend zal herhalen: informatie in dit universum is nooit stabiel, bevestiging is altijd voorlopig, en geweld volgt sneller dan begrip. Dat is geen goedkope cliffhanger-truc, het is een epistemologische stellingname die de hele roman schraagt. Spionage wordt hier niet verbeeld als kennis vergaren, maar als leven binnen permanente onzekerheid over wát je eigenlijk weet — Donald Rumsfelds beruchte unknown unknowns krijgen in de roman zelfs een sinistere tegenhanger: de unknown known, het weten dat de tegenpartij weet dat jij luistert, zonder dat jij weet dat zij dat weten.
De geopolitieke driehoek: het structurerende beeld van de roman
Het scharnierpunt van het boek is het intermezzo “Een geopolitieke driehoek”, en het verdient meer aandacht dan de plotlijnen eromheen. In drie tijdreizen bezoekt de verteller drie fictieve opleidingsinstituten: een Schots kasteel waar een neoliberale bestuurderselite wordt gevormd — de “leerschool van de McKinsey’s” — een Amsterdamse universiteit waar identiteitspolitiek volgens de verteller ontspoort tot vijandigheid jegens Joodse studenten, en een Italiaans klooster waar Europese populisten worden opgeleid tot “gladiatoren” van bevelsretoriek (een onmiskenbare knipoog naar de reële, inmiddels grotendeels mislukte pogingen van Steve Bannon om in Trisulti een internationale populistenschool te vestigen). Deze drie krachten — technocratisch neoliberalisme, identiteitsdictatuur en nationalistisch populisme — vormen samen de driehoek die volgens de roman door “obscure, cynische krachten” wordt aangewakkerd totdat Europa “definitief in lichter laaie” staat. Het is een compact maar precies beeld van iets dat in de reële geopolitieke analyse vaak los van elkaar wordt besproken: de gelijktijdige erosie van vertrouwen in markt, universiteit en natiestaat, en de manier waarop die drie ondermijningen elkaar versterken in plaats van elkaar te compenseren. De roman plaatst de AIVD — en de door de roman verzonnen pan-Europese tegenhanger, de European Intelligence Service — nadrukkelijk niet tegenover een buitenlandse vijand, maar tegenover deze diffuse, intern-westerse driehoek. Dat is een aardverschuiving ten opzichte van het klassieke spionagegenre, waar de dreiging doorgaans van buiten komt.
Zeven oktober als literaire speculatie, niet als claim
Het gevoeligste onderdeel van de roman is ongetwijfeld de fictionalisering van de aanval van 7 oktober 2023. In een scène in het presidentiële paleis in Ankara wordt de aanval — hier omschreven als “operatie Intifada” — voorbereid door een niet bij naam genoemde Emir, een “Ottomaanse keizer” en, in het geheim, de leider van Hamas, met simulaties die zijn aangeleverd door Chinese AI-software. De roman versnelt de historische datum zelfs met drie dagen, “eerder dan door de vijand verwacht”. Dit is geen journalistieke claim en wordt ook nergens als zodanig gepresenteerd — de personages zijn functietitels zonder eigennaam, de scène draagt alle kenmerken van speculatieve fictie. Maar de keuze om juist hier compromisloos door te schrijven, zonder de gebruikelijke voorzichtigheid van het genre, is literair riskant en daarom analytisch interessant. De roman lijkt minder geïnteresseerd in “wat er werkelijk gebeurde” dan in het blootleggen van het soort verhalen dat na zulke gebeurtenissen ontstaat: complottheorieën, statelijke ontkenning, wederzijdse propaganda, en vooral de onmogelijkheid om als buitenstaander — of als geheim agent — met zekerheid vast te stellen wat feit is. Veelzeggend is dat de auteur in de eindnoten zelf naar het publieke debat verwijst, onder meer naar Leo Lucassens kritische stuk in Trouw over de vraag of de term “pogrom” voor 7 oktober eigenlijk wel toepasselijk is, en naar Timothy Garton Ash over de bipolaire referentiekaders die in de nieuwe wanorde tekortschieten. De roman plaatst zich zo bewust in een lopend maatschappelijk debat over duiding, taal en geweld, zonder zelf een oordeel te vellen — een houding die goed aansluit bij het Kundera-citaat dat elders in het boek wordt aangehaald: de neiging tot veroordelen is, vanuit het perspectief van de roman, de grootste vijand van de literaire wijsheid.
Chips, algoritmes en de nieuwe wapenindustrie
Waar de roman echt scherp wordt, is in de manier waarop technologie geopolitiek is geworden. ASML — “onze” chipmachinegigant uit Eindhoven — figureert niet als nationale trots, maar als doelwit: bedrijfsspionage, jonge Eindhovense ingenieurs die op een handelscongres in Marrakesh worden ingepalmd tussen buikdanseressen en champagne, en de compacte formule “chips voor wapens en wapens voor chips” voor de Taiwan-kwestie. Het is een verwijzing naar Marc Heijns non-fictieboek over ASML, maar de roman doet er iets fictie-specifieks mee: het laat zien hoe geopolitieke afhankelijkheid zich vertaalt in individuele kwetsbaarheid — een dronken ingenieur op een zakenreis wordt letterlijk een nationaal veiligheidsrisico.
Datzelfde geldt voor de verwijzing naar het Israëlische AI-doelsysteem “Lavender”, dat volgens de reële, in de eindnoten geciteerde onthulling van Yuval Abraham in +972 Magazine huizen aanwijst voor bombardementen op basis van geautomatiseerde doellijsten. De roman plaatst deze technologie naast de eigen, fictieve “volgens de European AI Act legale” surveillancesoftware van de geheime dienst — een ironische zelfrelativering: ook de “goede kant” in deze roman opereert met algoritmische bewakingsmiddelen die zich moreel niet fundamenteel onderscheiden van wat aan de andere kant wordt veroordeeld. Dat is precies het soort morele grijstint waar de roman naar op zoek is: geen enkele partij, ook de eigen protagonisten niet, ontsnapt aan de verleiding van technologisch gemedieerde macht.
Golfstaten, sportwashing en de nieuwe niet-gebonden orde
De uitgebreide Qatar- en Istanbul-hoofdstukken lezen als een essay over de multipolaire wereldorde in fictievorm. Qatar wordt getekend als een golfstaatje dat zich, “drijvend op een gasveld”, tot onmisbare draaischijf van de wereldpolitiek heeft gemaakt: gastland voor gesubsidieerde actoren in het Midden-Oosten-conflict, gasleverancier aan een Europa dat zich van Rusland probeert los te maken, sportwashende gastheer van de Formule 1 en het WK voetbal, en tegelijk bemiddelaar die door alle partijen nodig is. De megajachten van een Golfvorst en een — nooit met naam genoemde, maar onmiskenbaar geconnoteerde — Russische oligarch liggen naast elkaar aangemeerd, ontsnapt aan westerse sancties: een beeld dat de porositeit van het sanctieregime treffender vangt dan menig beleidsrapport.
Interessant is ook hoe de roman consequent weigert Westerse actoren een moreel hoger podium te geven. De AIVD-agenten worden door de Mossad gezien als “puppets on a string”; Nederlandse zakenlieden laten zich op een handelscongres in Marrakesh net zo makkelijk verleiden als ieder ander; de “European Intelligence Service” bestaat juist omdat nationale diensten, verscheurd tussen Amerikaanse en Israëlische afhankelijkheden, niet meer zelfstandig kunnen functioneren. Dat is een té weinig bediscussieerd punt in het publieke debat over Europese strategische autonomie: niet alleen economische en technologische afhankelijkheid ondermijnt soevereiniteit, ook de inlichtingenarchitectuur zelf is verweven met bondgenoten wier belangen niet samenvallen met de Europese.
De roman die zichzelf opeet: metafictie als slotcommentaar
Wat de analyse compleet maakt, is de metafictieve laag: de verteller correspondeert doorlopend met zijn eigen — fictieve — uitgever, becommentarieert zijn eigen schrijfproces, en laat de roman uiteindelijk eindigen met een epiloog waarin niet de verteller, maar de leider van een “stay behind”-organisatie het woord neemt: de auteur is spoorloos verdwenen, en “genuanceerde, van AI gevrijwaarde verhalen lossen op in het niets, zoals licht in zwarte gaten.” Dat is, na alle geopolitieke stof die is opgeworpen, de eigenlijke inzet van het boek: niet de vraag wie welke oorlog wint, maar of genuanceerde, trage, morele-twijfel-toelatende vertelling — de roman als vorm — de huidige informatieoorlog (AI-gegenereerde propaganda, algoritmische doelselectie, verdwijnende journalistieke autoriteit) kan overleven.
De titel krijgt daarmee een dubbele lading: “voorwaartse verdediging” is niet alleen een AIVD-strategie tegen externe dreiging, het is ook de positie van de roman zelf — literatuur die zich niet terugtrekt in escapisme, maar naar voren buigt, het geopolitieke moeras in, om daar, met alle onzekerheid die dat met zich meebrengt, tóch iets te willen begrijpen.

