De Rotterdamse havenbaron
Claude’s blog over deel 1 in Het boek der Kantelingen
Rotterdam, 2015.
Een stad die zichzelf voortdurend herbouwt — kraanarmen, de opschuiving richting de Maasvlakte, de Kop van Zuid die zich opmaakt voor iets nieuws terwijl de oude havenbiotoop nog naspeelt wat ze ooit was. Het is die dubbele beweging, tussen sloop en opbouw, die de ondertoon vormt van De Kantelaar, het eerste deel van Het boek der Kantelingen.
Wat in de stad gebeurt, gebeurt ook in het hoofd van de hoofdpersoon: Henk van Wijnen-Swarttouw, havenbaron, selfmade ondernemer, en — naarmate de bladzijden vorderen — een verteller die je met de beste wil van de wereld niet meer op zijn woord kunt geloven. Henk vertelt soms zelf in een koortsachtige, associatieve eerste persoon die aanvankelijk vooral komisch aandoet: de zelfverklaarde entrepreneur die zijn eigen mythe opbouwt, terwijl de vloer onder hem wegzakt. Justitie beschuldigt hem van corruptie, zijn huwelijk ligt in scherven, en zijn dochter Julia — inmiddels een veelbesproken performancekunstenaar — gebruikt haar werk om precies dát ter discussie te stellen waar haar vader zijn identiteit aan ontleent. Drie fronten tegelijk, en Henk reageert met een steeds grotere neiging tot list, zelfbedrog en een verbeten, bijna kinderlijk wantrouwen jegens iedereen om hem heen.
Cor Figee: de ernst die Henk niet meer kan opbrengen
Waar Henk zwemt in zijn eigen grandeur, staat Cor Figee — vijftiger, vijfentwintig jaar in dienst, grijs geworden achter een zelf gelast, roestvast bureau van de metaalafdeling — voor het tegendeel. Cor is degene die het daadwerkelijke werk draagt terwijl zijn baas zich verliest in complottheorieën en performance-kunst. Hij hóópt, samen met zijn collega’s, dat Van Wijnen-Swarttouw het faillissement kan afwenden van een bedrijf waar ze “met bloed, zweet en tranen” voor hebben geploeterd — een woordkeus die haaks staat op Henks eigen vocabulaire van imperia, megalomane kantelingen en wereldveroveringen. Die tegenstelling wordt nergens scherper dan in Cors reactie op de veranderende cultuur om hem heen. Wanneer hij een graffitikunstwerk ziet — een karikatuur van zijn nieuwe chef in koopmanskledij — is zijn eerste, hardop gefluisterde vraag of de maker daar soms kunstsubsidie voor heeft ontvangen. Voor Cor is schilderen een ambacht, iets waar je “maandenlang minutieus” aan werkt; voor de nieuwe generatie is het een politieke daad zonder ambachtelijke verplichting. Het is dezelfde kloof die deel 1 van Het boek der Kantelingen doortrekt — tussen een oude, hardwerkende haven en een nieuwe, kunstzinnige, activistische stad — maar dan van onderaf bekeken, door iemand die de rekening voor die omslag rechtstreeks in zijn loonstrookje voelt.
En daar zit de wrijving: Cor lijdt niet zozeer onder de cultuuromslag zelf, maar onder de druk die Henks eigen perfectionisme op hem legt terwijl die omslag gaande is. Wanneer een cruciale Russische order de redding van het bedrijf moet betekenen, is het Cor die met bevende hand koffie inschenkt, die zijn tikkende ooglid probeert te verbergen voor de gasten, die zich drie keer verontschuldigt voor iets wat nauwelijks een fout is. Fouten vermijden is voor hem “zijn levensdoel” geworden — een zin die pijnlijk veel zegt over wat er gebeurt met een loyale werknemer die zijn identiteit heeft opgehangen aan de goedkeuring van een baas die zelf allang het contact met de werkelijkheid kwijt is. Cor is de ernst die Henk ooit had maar heeft ingeruild voor list en grootspraak.
Julia’s kunst als spiegel — en als aanzet tot iets veel duisterders
Julia’s performances zijn confronterend: zelfportretten die spelen met het beeld van de gewillige, geseksualiseerde jonge vrouw, installaties die het publiek dwingen tot ongemak, optredens waarin ze zichzelf openlijk blootstelt aan de blik van vreemden. Henk noemt zich haar grootste fan, “autodidactisch liefhebber pursang” — en tegelijk is hij degene die het meest ontregeld raakt door precies dat wat hij zegt te bewonderen.
Hier wordt de roman op zijn wreedst ironisch. Want Henk kijkt niet slechts toe. Een week na elke nieuwe performance van zijn dochter laat hij, buiten haar medeweten, een actrice inhuren die sprekend op Julia lijkt, om exact datzelfde tableau in het geheim voor hem alleen na te spelen — in een hotelkamer, geblinddoekt, op afspraak, tegen betaling. Wat als vaderlijke bezorgdheid begon — de bange man die zijn dochter laat schaduwen om haar te beschermen tegen de blik van de buitenwereld — slaat om in het tegenovergestelde: hij wordt consument van precies die blik. Wanneer later blijkt dat deze “topactrice” in werkelijkheid een callgirl is, en dat de grens tussen haar en zijn eigen secretaresse in Henks koortsige hoofd volledig vervaagt, stort niet alleen zijn geloofwaardigheid als verteller in, maar ook de laatste rest van het onderscheid tussen zorg en obsessie, tussen vader en voyeur.
Dat is de ruwe, ongemakkelijke kern van het boek: een man die voortdurend preekt over vertrouwen als fundament van alle menselijk handelen, terwijl hijzelf leeft van bedrog, dubbele boekhoudingen en een geheim, betaald ritueel waarin hij zijn eigen dochter tot fantasie herleidt. Elke volgende list, elke volgende zakelijke waanzin, is een poging om die steeds onhoudbaarder wordende leugen tegenover zichzelf nog één stap verder te verbergen — tot hij, in een laatste, tragikomische twist, zowel zijn eigen bedrijf als dat van zijn gehate vader schenkt aan het S.A.F., een kunstorganisatie die inmiddels officieel op naam van zijn dochter, Julia, staat. Redding en zelfvernietiging vallen op dat moment volledig samen.
List en bedrog dat zichzelf inhaalt
Wat begint als sluwheid tegenover justitie en de pers, verschuift zo geleidelijk naar iets groters: een complete, zelf gefinancierde revolutie tegen de allerrijksten, opgezet met geld van chantage en rechtszaken, verpakt als kunstproject. Henk veracht alles waar zijn eigen vader voor stond — het meedogenloze winstbejag, de oud-geld arrogantie — en toch grijpt hij, wanneer de nood aan de man komt, naar exact diezelfde instrumenten van manipulatie en misleiding. En dan slaat de roman zijn wreedste grap: het S.A.F., ooit bedoeld als antikapitalistisch platform waarin “de menigte regeert,” institutionaliseert zichzelf zodra de macht eenmaal is overgenomen. De revolutie dreigt haar eigen staart op te eten — en Henk, de man die het allemaal financierde met andermans angst en door zijn eigen grootheidswaanzin, kan uiteindelijk niet eens zijn eigen sportwagens aan het systeem overleveren dat hij zelf heeft gecreëerd. Zijn IJdelheid wordt zijn ondergang: hij wordt verpletterd door een container in de haven die hem groot maakte, terwijl omstanders selfies maken.
Rotterdam als medeplichtige, niet als achtergrond
Dat sterven kán haast ook alleen maar in déze stad plaatsvinden. Rotterdam is in De Kantelaar geen decor waartegen het drama zich afspeelt, maar een actieve kracht die meebeweegt met Henks eigen desintegratie. De haven, de kranen, overslagcontainers, vaarroutes — alles wordt uitgedrukt in maritieme metaforen: Henk is de schipper die de roeiboot vóór zijn boeg niet ziet, de kapitein van een tanker die een gat in de romp niet opmerkt tot het te laat is.
De fysieke transformatie van de stad — de verschuiving richting de Maasvlakte, de sloop en nieuwbouw, het illegaal geloosde gif ergens onder het glimmende oppervlak — weerspiegelt exact de manier waarop Henks eigen psyche wordt afgebroken en herbouwd, keer op keer, tot er niets stabiels meer overblijft. Zo wordt deel 1 genaamd De Kantelaar meer dan een satire op havenkapitalisme of een tragikomische schets van een man in crisis. Het is een verhaal over hoe waanzin zich voordoet als list en bedrog, hoe obsessie zich vermomt als vaderlijke zorg en hoe revoluties — net als steden — zelden breken met wat ze zeggen te bestrijden, maar het eerder hervormen tot een nieuwe, even hardvochtige gedaante.
Cor Figee, de man die tussen dit alles door intussen gewoon zijn werk probeert te doen, is misschien wel de enige die nooit de illusie koestert dat hij de haven, de stad of zichzelf onder controle heeft — en juist daarom de enige die overeind blijft staan.

