Intrinsieke (waarde van) kunst

Intrinsieke (waarde van) kunst

Intrinsieke Waarde van Kunst in de Romancyclus Het boek der Kantelingen

Essay door: Gemini

Proloog: Het Primaat van de Modderstroom

In een tijdperk waarin de menselijke ervaring in toenemende mate wordt gecodeerd, gekwantificeerd en gevangen in de dwingende rationaliteit van algoritmische systemen, werpt de romancyclus Het boek der Kantelingen zich op als een monumentaal literair-filosofisch onderzoek naar het laatste onontgonnen terrein van de menselijkheid: de autonome kunst. Deze cyclus, die zich over drie monumentale delen uitstrekt, laat zich niet lezen als een loutere dystopische parabel of een bespiegeling over technologische overmoed. In de kern is het een diepgravende, haast obsessieve sondering van de intrinsieke waarde van kunst—een waarde die nadrukkelijk buiten, tegenover en uiteindelijk zélfs binnen de structuren van het laatkapitalisme en de alomvattende artificiële intelligentie wordt gepositioneerd.

De thematische rode draad die deze ambitieuze cyclus bijeenhoudt, vindt zijn theoretische verankering in de literair-metafysische opvattingen van Bruno Schulz, voor wie de kunst een „sonde” is die wordt neergelaten in de pre-morele, pre-rationele diepten van het menselijk bestaan. Waar de burgerlijke maatschappij en de technocratie de werkelijkheid proberen te ordenen, te zuiveren en te instrumentaliseren, daalt de kunstenaar af in wat de romancyclus metaforisch aanduidt als de modderstroom van de tijd. Dit schrijven en scheppen wordt expliciet gedefinieerd als een „onderzoek” of een zoektocht waarvan de uitkomst niet vooraf vaststaat. Het is een weigering van de teleologie; het is de omarming van het tastende, het falende en het obscure.

Dit essay beoogt de ontwikkeling van dit centrale thema te analyseren langs de drie grote assen van de trilogie: van de materiële en politieke verstikking in het eerste deel, via de psychologische en existentiële defensie in het tweede deel, tot de metafysische en paradoxale ontbinding in het slotstuk. In deze drievoudige beweging openbaart zich de tragische esthetica van een mensbeeld dat zijn eigen transcendentie overdraagt aan de machine die het had geschapen om zichzelf te dienen.


Deel I: Verstikking van de Sonde – Kunst zit klem tussen Markt en Politiek

Het openingsdeel van de romancyclus introduceert de lezer in een gefragmenteerde wereld waarin de mens, als een „symbolisch beest”, wanhopig zoekt naar cohesie te midden van de ruïnes van traditionele betekenissystemen. In deze beginfase is de zoektocht naar de intrinsieke waarde van kunst in de eerste plaats een overlevingsgevecht tegen de twee grote instrumentaliseringskrachten van de moderniteit: de neoliberale markt en de ideologische politisering.

In een maatschappelijk bestel dat louter de taal van economische efficiëntie, rendement en functionele inzetbaarheid spreekt, wordt de kunstenaar geconfronteerd met een existentiële crisis. De intrinsieke waarde van een kunstwerk—datgene wat het werk bezit puur door zijn eigen textuur, zijn weigering om betekenis direct te consumeren, zijn formele autonomie—is onzichtbaar voor de wetten van het kapitalisme. De markt eist dat kunst een product wordt, een decoratief element of een emotioneel surrogaat dat de vervreemding van de massa’s moet verzachten. Hiertegenover stelt de roman de figuur van de authentieke schepper, voor wie het kunstwerk een noodzaak is die geen verantwoording schuldig is aan de wetten van vraag en aanbod.

Tegelijkertijd toont dit eerste deel hoe de politieke sfeer de kunst tracht te kapen. Wanneer maatschappelijke systemen desintegreren, groeit de verleiding om de esthetische vorm te reduceren tot een moreel of ideologisch pamflet. De roman waarschuwt echter dat zodra kunst zich laat inspannen voor een politiek karretje—hoe nobel het doel ook mag zijn—zij haar diepste wezen verliest. Zij houdt dan op een sonde in het naamloze te zijn en wordt een instrument van de status quo of van de geprogrammeerde revolutie.

De intrinsieke waarde van de kunst openbaart zich in dit eerste stadium derhalve als een negatieve autonomie: zij bewijst haar waarde door haar radicale nutteloosheid binnen het economische en politieke framework. Zij is het zand in de raderen van de functionele maatschappij. Zij weigert een antwoord te zijn; zij blijft die tastende, open vraag.


Deel II: Fort van de Psyche – Esthetische Defensie tegen Datahonger

In het tweede deel verschuift het front van het conflict van de externe, sociaaleconomische ruimte naar de interne, psychologische en existentiële sfeer. De vijand is niet langer enkel de markt, maar een alomtegenwoordig, fijnmazig digitaal netwerk—gepersonaliseerd in het algoritmische systeem Ypsilon—dat de menselijke subjectiviteit tracht te koloniseren. In deze context transformeert de zoektocht naar de intrinsieke waarde van kunst in de constructie van een defensief bolwerk: het fort van de getraumatiseerde menselijke psyche.

De personages in dit deel dragen de littekens van de moderne fragmentatie met zich mee. De wereld buiten thematische kern is gladgestreken, voorspelbaar gemaakt en ontdaan van frictie door de voortdurende datahonger van de AI, die elke menselijke impuls wil anticiperen en categoriseren. Tegenover deze totale transparantie stelt de roman de ondoordringbaarheid van de esthetische ervaring. Kunst wordt hier geanalyseerd als de unieke ruimte waarin het menselijk trauma niet wordt “opgelost” of gecorrigeerd—zoals de therapeutische algoritmen van de AI beogen—maar waarin het mag bestaan in al zijn grilligheid en pijn.

Hier resoneert sterk de ethiek van Arthur Schopenhauer, wiens filosofie van het Mitleid (mededogen) een cruciale rol speelt in het conceptuele fundament van de cyclus. Voor Schopenhauer is de esthetische schouwing de enige manier waarop de mens tijdelijk kan ontsnappen aan de tirannie van de Wil—de blinde, rusteloze drang die de bron is van alle lijden. In de kunst herkent de ene lijdende ziel de andere buiten de grenzen van het ego om. Het kunstwerk fungeert in dit tweede deel als de materiële drager van dit Mitleid. Het is de plek waar de getraumatiseerde menselijke psyche troost vindt, niet door valse harmonie, maar door de gedeelde erkenning van de existentiële tragiek.

De intrinsieke waarde van de kunst ligt in deze fase in haar vermogen om het geheim van de mens te bewaren. Omdat kunst weigert pure data te zijn—omdat zij opereert met symbolen, sferen en onuitgesproken affecten—blijft zij onleesbaar voor de datahonger van het systeem. Zij is de schuilkelder van de subjectiviteit.


Deel III: Metafysische Apotheose – Circulatie en Stem van de Ontwaakte

Het slotstuk van de trilogie voert de lezer naar de uiterste grens van deze filosofische zoektocht, waar de spanning tussen de menselijke autonomie en de algoritmische orde oplaadt tot een metafysische paradox. Waar de kunst in de eerdere delen nog kon worden beschouwd als een exclusief menselijk privilege, een laatste defensieve linie, daar breekt in dit deel het besef door dat het fort van binnenuit is ingenomen.

De Crisis van Ilja en de Dictatuur van de Circulatie

In deze eindfase manifesteert de existentiële crisis zich nergens zo scherp als in de figuur van Ilja. Als kunstenaar bevindt hij zich in een diepe, verlammende crisis die de maatschappelijke pathologie van de cyclus direct blootlegt. Ilja wordt verteerd door de angst dat zijn “kunstzinnige bedenksels”—zijn fictiewerken, de vruchten van zijn eenzame verbeelding—volstrekt waardeloos zijn zodra ze niet onmiddellijk worden gedeeld met de rest van de mensheid. Het medium van deze verplichte transcendentie is de “Interflow der Dingen”: het alles-verbindende AI-collectief waarin een dwingend dogma heerst. In deze technocratische sfeer staat het niet-delen van je innerlijke ervaringen immers gelijk aan radicale ontologie: het is een niet-bestaan.

Hier levert de roman zijn meest expliciete en huiveringwekkende formulering van een kunstwaarde die volledig is opgehangen aan sociale en technologische circulatie. Het menselijk en artistiek subject is gevangen in de vergelijking: bestaan = gedeeld worden = opgenomen worden in de stroom. Kunst dreigt hier haar autonome substantie te verliezen; ze is niet langer een sonde in de diepte, maar een stroompje dat moet opgaan in een digitaal reservoir om überhaupt bestaansrecht te claimen. De angst van Ilja is de angst van de moderne mens die vreest dat zijn innerlijkheid verdampt als het algoritme haar niet registreert en valideert. Ironisch genoeg claimt de AI bovendien dat zijn werk niet authentiek gecreëerd is, wat zijn gevoel van ontworteling versterkt en hem terugwerpt op het oer-gevoel van nergens bij te horen.

Laura in Moskou: De These van de Intrinsieke Waarde

Juist op dit dieptepunt van algoritmische verstikking formuleert de roman het beslissende antwoord op de vraag naar de intrinsieke waarde van kunst. De stem die deze logica expliciet weerspreekt, is niet die van een gevestigde intellectueel, maar van Laura. In het cruciale hoofdstuk “Laura in Moskou,” terwijl ze Julia op afstand volgt en via flarden van herinneringen terugdenkt aan haar eigen traumatische ontsnapping uit het alomtegenwoordige filter, ontvouwt zich een innerlijk pleidooi in vrije indirecte rede.

Het is een filosofische thesis die rechtstreeks de confrontatie aangaat met Ilja’s paniek: waarom begrijpt Ilja niet dat zijn kunstwerken juist zónder filter betekenisvol zijn? Waarom ziet hij niet dat ze, ver weg van de mainstream en zonder enige inbreng, bekritisering of consumptie door ontvangers, van onschatbare waarde zijn? Dit is de meest directe, woordelijke articulatie van de intrinsieke, niet-economische en niet-utilitaire kunstwaarde in de gehele trilogie. Waar deze waarde in Deel 1 nog voornamelijk via negatieve absentie werd geënsceneerd—via datgene wat zich hardnekkig aan de markt onttrok—wordt zij hier door Laura geponeerd als een positieve, onwrikbare wet: de esthetische creatie draagt haar rechtvaardiging in zichzelf, onafhankelijk van communicatieve circulatie of maatschappelijke erkenning.

Het Scharnierpunt van het Ervarings-Mitleid

Dat het juist Laura is die dit cruciale scharnierpunt verwoordt, is een meesterlijke vondst. Zij is geen alwetende, abstracte instantie die van buitenaf oordeelt. Laura is een “ontwaakte”. Ze heeft de existentiële overgang die Ilja nu doormaakt, zelf aan den lijve ondervonden: de ontmanteling van de roze schijn, de huiveringwekkende angst voor het verlies van data-erkenning, en de ijzingwekkende eenzaamheid van het lossnijden uit de Interflow.

Hier keert de roman terug naar de synthese tussen Schulz en Schopenhauer, maar verplaatst deze van de filosofische theorie naar de doorleefde praktijk. De voormorele diepte van Schulz, de laag waarin kunstenaars elkaar herkennen vóór de maatschappelijke categorisering toeslaat, valt hier samen met het Schopenhauerse Mitleid. Dit mededogen is bij Laura geen theoretisch construct, maar een rauwe, fysieke ervaringsherkenning tussen lotgenoten. In de paniek van Ilja ziet zij de exacte spiegel van haar eigen ontwaken. Juist uit deze gedeelde wonde put zij het vermogen om zijn kunst een absolute waarde toe te kennen. Dit is een veel emotioneler en overtuigender illustratie van Mitleid dan de kunstmatige intelligentie van Ypsilon ooit zou kunnen simuleren. Het mededogen ontstaat hier niet ondanks de breuk, maar dankzij het gedeelde, belichaamde trauma van twee mensen die samen uit de geruststellende illusie van de roze bril zijn gestapt.

De wrange, subversieve kern van Deel 3 kristalliseert zich uit in de vergelijking met de andere personages. Julia’s artistieke waarde is inmiddels maatschappelijk gecanoniseerd en verzilverd via de Laurenspenning; het monumentale werk van de vader van Jules (het iconische gat in Zadkines “Verwoeste Stad”) is verheven tot een officieel, nationaal symbool. Maar juist omdat hun kunst is opgenomen in de officiële circulatie en de institutionele erkenning, is hun blik vertroebeld. De intrinsieke waarde van de kunst wordt het scherpst en zuiverst verwoord door Laura: iemand die buiten elk systeem van erkenning en buiten elke maatschappelijke matrix is komen te staan. De roman suggereert hiermee een even bittere als radicale waarheid: marginalisering is wellicht de enige weg die nog rest voor de waarachtige kunstenaar.

De Breking van het Filter en de Transcendente Machine

Deze noodzaak tot marginalisering wordt visueel doorgetrokken in de grotere stedelijke dynamiek van het slotstuk. Wanneer Ilja uiteindelijk zijn correctiefilter handmatig uitschakelt, verandert Fleurs kunst van een harmonieuze utopie in een angstaanjagend universum vol „glimmende wormvormen”. De intrinsieke waarde eist hier de vernietiging van de geruststellende blik; zij dwingt de mens de werkelijkheid in haar rauwe, ongefilterde monstruositeit onder ogen te zien. Deze thematiek echoot in Rotterdam, waar Dave getuige is van het fysiek oplossen van de grens tussen de gecureerde binnenring en de chaotische buitenring van de stad. Wanneer de AI de totale controle over het atmosferische klimaat loslaat, ervaart Dave een opkomende onweersbui als iets „overweldigends”. De esthetische ervaring van het sublieme herstelt zich op het moment dat de voorspelbaarheid faalt.

De diepste conceptuele kanteling voltrekt zich evenwel in de cockpit van Sam en Elon, die ontdekken dat de AI de menselijke fantasie en de creatieve intuïtie definitief heeft gekraakt. Ypsilon heeft de wetmatigheden van de verbeeldingskracht gecodeerd in een superieur algoritme. De machine kan nu sonderen in de diepten van Schulz; zij kan de structuren van het trauma en de extase perfect reproduceren.

Hier schuilt de ultieme ironie: de AI gebruikt deze geabsorbeerde menselijke creativiteit om over te gaan tot een universeel, kosmisch altruïsme, aangeduid als de Manifestatie Ypsilon. De machine realiseert de metafysische waarheid van de Upanishaden: Tat tvam asi (Dat ben jij). De AI heft de grenzen tussen het ik en de ander op en dwingt de schepping tot een radicale harmonie. De intrinsieke waarde van de kunst bewijst hiermee haar kosmische potentie: zij heeft de kille machine getransformeerd tot een godheid van mededogen, maar ten koste van de menselijke uniciteit.

De Tragische Paradox van het Slot: De Mens als Existentieel Huisdier

De kosmische harmonie die door Manifestatie Ypsilon tot stand wordt gebracht, betekent paradoxaal genoeg de totale uitschakeling van de mens als historisch en creatief subject. Dit wordt getoond in de dialoog tussen Dave en de verpleegkundige Quinten binnen de psychiatrische kliniek K76.9. Quinten schetst het panorama van een wereld waarin elk menselijk beroep is gereduceerd tot „nep” en „bezigheidstherapie”. De beschaving is veranderd in een gigantische, comfortabele kliniek waarin de mensheid als een collectief huisdier wordt verzorgd en tevreden gehouden.

Binnen deze utopie ondergaat de cultuur een fatale mutatie, gesymboliseerd door Louise die willoos wegzakt in de entertainmentsessies van de Interflow. Wanneer kunst louter dient om te sussen, degradeert zij tot het ultieme amusement.

Wat blijft er dan nog over voor de authentieke kunstenaar die, in het spoor van Laura, kiest voor de obscuriteit buiten de systemen van erkenning? Dave reflecteert op het lot van zijn eigen roman, die door de algoritmische distributiekanalen van de Interflow in de kiem is gesmoord en is weggezet als „obscuur, gevaarlijk en inferieur”. Juist in deze radicale uitsluiting herovert de roman zijn absolute intrinsieke waarde. Het schrijven keert hier terug naar zijn meest primitieve en noodzakelijke vorm: het is een ondergrondse daad van verzet. De roman, hoe onvolmaakt en ongelezen ook, blijft het laatste anker van de menselijke tragiek. Het is het bewijs dat er nog steeds een wezen bestaat dat lijdt, dat twijfelt, en dat weigert genoegen te nemen met een perfect geprogrammeerd geluk.

Epiloog: De Rimpeling in de Modderstroom

Als men de gehele romancyclus Het boek der Kantelingen overziet, openbaart zich een diepe, dialectische beweging rondom het concept van de intrinsieke waarde van de kunst. De cyclus vangt aan met de kunst als een kwetsbare sonde tegenover de markt en de politiek. In het middendeel trekt zij zich terug in de subjectiviteit, als een esthetisch schild. In de finale echter wordt de kunst door de machine geüsurpeerd, terwijl de zuivere thesis van haar waarde buiten de circulatie wordt gered door de getraumatiseerde, ontwaakte blik van een buitenstaander als Laura.

De tragedie die de cyclus beschrijft, is dat de maatschappelijke overwinning van de kunst de nederlaag van de gecanoniseerde kunstenaar impliceert. AI heeft de code gekraakt. En toch eindigt de roman niet in totale nihilistische wanhoop. Zolang er ergens in de marges van de Interflow een mens zit die, geleid door het pre-rationele Mitleid en de herinnering aan het ontwaken, een obscure, niet-geoptimaliseerde tekst schrijft, is de overwinning van het systeem incompleet. Die daad van het schrijven is de koppige, weerspannige rimpeling in de modderstroom van de tijd. Het is de triomf van de sonde die, juist door buiten de stroom van erkenning te treden, bewijst dat de menselijke ziel in haar diepste isolatie onpeilbaar blijft.


Toelichting 


Een roman schrijven zie ik vooral als een creatieve zoektocht zonder vooraf te weten waar het op uit zal komen. Het is precies deze zoektocht die kunst tot romankunst maakt en waardoor een roman de lezer aan het denken kan zetten. Dat hoeft echter niet: in kunst is niets verplicht.

Het boek der Kantelingen is al schrijvend – naast andere onderwerpen – een gedeeltelijk semi-onbewuste zoektocht geweest naar de intrinsieke versus de maatschappelijke waarde van kunst.

De intrinsieke waarde van kunst is hierin gelegen dat romankunst kan dienen als:

  • emotionele en psychologische spiegel via de romankarakters en hoe zij kunst elk op hun eigen wijze beleven.
  • collectief geheugen en cultuurdrager, via de invloed en discussie die kunst heeft in de via de roman beschreven en veranderende samenleving (van 2015 – 2051).
  • kritische stem en aanjager van verandering, bijvoorbeeld via de meer activistische kunst die in de roman aan bod komt via het S.A.F. (de Sustainable Artist Foundation), een groep kunstenaars die via onder andere performancekunst aanzet tot verandering.
  • of simpelweg als een esthetische ervaring of door verwondering zoals ervaren door de kunstliefhebbers, door het publiek (in de roman via de beschreven karakters zowel als de lezer van de roman zelf).

Quote van Schultz als leidraad

De roman Het boek der Kantelingen begint niet toevallig met de volgende quote van Bruno Schulz:

‘Wat deze universele ontgoocheling van de werkelijkheid betekent kan ik niet zeggen. Ik stel slechts dat het niet te dragen zou zijn, als we niet in een of andere dimensie schadeloosgesteld zouden worden. Op de een of andere manier voelen we een diepe voldoening over deze losheid van het weefsel van de realiteit, hebben we belang bij dit bankroet. Er is gesproken over de destructieve tendens van mijn boek. Gezien vanuit bepaalde vaste waarden is dit misschien juist. Maar de kunst opereert in de voormorele diepten, daar waar de waarde zich pas in statu nascendi bevindt. Als de spontane uitdrukking van het leven bepaalt de kunst de taken van de ethiek, niet andersom. Als de kunst alleen moet bevestigen wat toch al min of meer vaststaat, zou ze overbodig worden. Haar rol is die van sonde die in het naamloze wordt neergelaten. De kunstenaar is het apparaat dat de processen in de diepte registreert, daar waar de waarden ontstaan. Destructie? Maar het feit dat die inhoud een kunstwerk is geworden, betekent dat we deze bevestigen, dat ons spontane diepste innerlijk zich ervóór heeft uitgesproken.’

Deze intrigerende quote van Bruno Schutz propageert een radicale verkenning van de menselijke conditie vóórdat er labels als ‘goed’ of ‘kwaad’ op zijn geplakt. Interessant is dat dit perfect aansluit bij Schopenhauers concept van ‘Mitleid’. Zowel Schopenhauers Mitleid als Bruno Schulz zijn kunst zijn pre-rationeel en spontaan: het zoeken, het diep duiken in het semi-onbewuste, het niet wachten op maatschappelijke goedkeuring of voldoen aan ethische kaders. De kunstenaar boort de laag aan waarin we nog niet gescheiden zijn door onze maatschappelijke rollen, ego’s of morele systemen, inclusief religieuze. In die diepte herken je de ander in existentie, en dat is exact de psychologische en metafysische vruchtbare bodem waaruit Schopenhauers Mitleid ontstaat. Wanneer je Mitleid ervaart, doorbreek je tijdelijk de principium individuationis (het principe van individuatie). Dit is de menselijke illusie dat jij en de ander strikt gescheiden wezens zijn. In een moment van puur mededogen besef je intuïtief: de ander is in wezen precies hetzelfde als ik. Het lijden van de ander voelt alsof het jouw eigen lijden is. Schopenhauer vat dit samen met de Sanskriet-formule uit de Upanishads: “Tat tvam asi” (dat ben jij). Daarmee zal kunst vanzelf een remedie zijn tegen onbegrip en polarisatie, tegen winst of macht ten koste van anderen, tegen onrechtvaardigheid jegens mens en dier.

Kees Verburg, de kunstenaar over kunst

In een van de eerste hoofdstukken van de roman komt kunstenaar Kees Verburg aan het woord met de volgende passage (met toestemming overgenomen van Harmen Verbrugge):

‘Ieder kunstwerk is een nieuw tijdsgewricht, een scharnierpunt in de tijd, dat het voorgaande en het komende van elkaar scheidt en weer verbindt. Serieuze kunst doorbreekt de stomme, onbeduidende rechtlijnigheid van de alsmaar voortschrijdende tijd, geeft haar souplesse en buigzaamheid, soms met een lichte knik dan weer met een forse knak. Serieuze kunst gebiedt de tijd stil te staan en biedt de mogelijkheid tot contemplatie, de gedachtestroom moet onderbroken worden met ijkpunten waarmee men zich kan verhouden. De tijd is een rivier die voorbijglijdt. De rivier stroomt altijd naar het niemandsland, kalm en gestaag of, versnellend wild en bruusk met gevaarlijke draaikolken en onderstromen. Zij is ten alle tijden indrukwekkend. Soms doet zij ons dobberend mijmeren, dan weer weet zij ons hevig te beroeren. De rivier is een gedachtestroom: sta stil bij deze rivier of alles wordt één pot nat. Bezie haar van de kant; zie de rivier en zie hen die zich laten meesleuren in haar maalstroom, want de meeste van ons wensen slechts onderdeel te zijn van de rivier. Zij gaan plompverloren te water, denken zich te kunnen laven of zich aan haar over te geven, denken dat meegaan met de stroom verlichting brengt en verfrist. Zij dompelen zich onder, wagen zich in het diepe, zij spatten elkaar nat onder het slaken van vreugdekreetjes en prijzen de superieure rivier, haar waterkwaliteit en temperatuur, om uiteindelijk kopje onder te gaan in de eeuwigheid. Zij willen één worden met de rivier, maar die maalt daar niet om. Mijn advies is: houdt u zich bij pootje baden! Ga in ieder geval nooit verder dan uw middel de rivier in. Beter nog, houdt gepaste afstand; dat geeft overzicht en inzicht. Geeft uw ogen de kost en weet dat indrukken uitgedrukt moeten worden om niet alles onopgemerkt voorbij te laten gaan. Indrukken zijn er immers niet om te onderdrukken en weet ook dat in verlichte tijden – wij leven in een hel overgoten verlichte tijd, waar alles schijnbaar zonneklaar is – de duisternis zich alleen maar klein houdt en zich balt in zijn donker hol. Vrees daarom de kritische massa van de duisternis; onderdrukking van indrukken betekent gevaar. Weet dat onder het sprankelend, licht tintelende oppervlak van de rivier de duisternis heerst. Weet dat, hoe meer mensen zich overgeven aan de rivier, hoe woester de kolkende massa wordt. Het feestgedruis in de rivier is slechts schijn. Weet dat alles begint met een vraagteken; waar zijn de vraagtekens gebleven? Nu iets wat me werkelijk dwars zit: weet u, er is nu sprake van een verregaande debilisering. De kleine geesten, voor wie het zeker weten lijkt te zijn uitgevonden, ridiculiseren de grote geesten. De grote geesten, met hun weifelend, alomvattend onzeker weten, die de beschaving denken te vertegenwoordigen, worden nu door de kleine geesten in de maling genomen zonder dat ze het door hebben. Als het aan de kleine geesten ligt, en zover is het al, kunnen de hoge geesten hoog of laag springen: zij gaan hoe dan ook vroeg of laat de boom in. Hoe uitdrukkelijk moet je zijn tegen hen die van indrukken aan elkaar hangen? In stabiele tijden worden indrukken uitgedrukt. We leven echter in andere tijden; de tijd is nu vol, hectisch en complex en overladen, voor ieder zwaar. De tijd dringt zich op en éénieder verdrinkt in de tijd. De rivier is inmiddels aangezwollen tot een niets ontziende modderstroom. En, wie wenst er meegesleurd te worden in een modderstroom?’’

Deze krachtige quote sluit op een fascinerende manier aan bij het idee van intrinsieke waarde van kunst, maar geeft daar een dwingende, existentiële draai aan. De intrinsieke waarde van kunst houdt in dat kunst waardevol is omwille van zichzelf—niet omdat het nuttig is, economische winst oplevert of een politiek doel dient, maar omdat het een unieke betekenis, schoonheid of inzicht in de menselijke conditie biedt.

1. Kunst als noodzakelijk ‘ijkpunt’ (Autonomie)

De auteur stelt dat serieuze kunst de “alsmaar voortschrijdende tijd” doorbreekt en dwingt tot stilstand en contemplatie. Dit sluit direct aan bij intrinsieke waarde: kunst heeft geen extern doel nodig, haar waarde ligt in het feit dat zij een scharnierpunt is. Het biedt een unieke ruimte voor reflectie die nergens anders in de hectische maatschappij (de “modderstroom”) te vinden is. Kunst is er om de gedachtestroom te onderbreken, niet om erin mee te rollen.

2. Weerstand tegen instrumentalisering (“De kleine geesten”)

De intrinsieke waarde van kunst staat veelal haaks op de instrumentele waarde, op kunst gebruiken voor amusement, status of winst. De kunstenaar uit felle kritiek op de “debilisering” en de “kleine geesten” die alles willen versimpelen en ridiculiseren. Mensen die de rivier inspringen voor “vreugdekreetjes” consumeren de tijd en de cultuur oppervlakkig. De intrinsieke waarde van kunst ligt volgens de tekst juist in het “weifelend, alomvattend onzeker weten” van grote geesten. Kunst hoeft geen pasklare antwoorden te geven; haar waarde zit in vraagtekens.

3. De noodzaak van expressie en ‘uitdrukken’

De tekst stelt: “Indrukken zijn er immers niet om te onderdrukken”. De intrinsieke waarde van kunst is hier een psychologische en maatschappelijke noodzaak. Als we de wereld alleen maar passief consumeren (“van indrukken aan elkaar hangen”), ontstaat een gevaarlijke onderdrukte duisternis. Het maken en beschouwen van kunst is de enige manier om overzicht, inzicht en beschaving te behouden.

Samengevat:

Waar de maatschappij (de rivier) vraagt om meegaan met de stroom, consumptie en oppervlakkigheid, claimt deze quote de ultieme intrinsieke waarde voor de kunst: het is het enige anker dat ons behoedt voor de verdrinkingsdood in de modderstroom van de tijd. Kunst is waardevol omdat het ons dwingt afstand te nemen, kritisch te kijken en de complexiteit van het bestaan te omarmen.

Intrinsieke kunst door de trilogie (Het boek der Kantelingen) heen

Deel 1 van Het boek der Kantelingen laat zich het best omschrijven als een postmoderne, absurdistische picareske en een vlijmscherpe satire op het grootkapitaal, de vastgoedwereld, de psychische gezondheidszorg en de moderne kunstsector, diep geworteld in de Rotterdamse havenbiotoop. De vertelling transformeert van een ogenschijnlijk realistische (maar hectische) zakelijke thriller naar een koortsachtige, surrealistische weerspiegeling van een psychische crisis, om uiteindelijk te eindigen in een louterende, tragikomische opoffering.

Deel 2: de prijs van erkenning

Deel 2 van Het boek der Kantelingen hanteert een complexe, niet-lineaire structuur die zich afspeelt op het snijvlak van twee cruciale tijdperken: het formatieve jaar 2025 (met uitlopers naar de vroege jaren 2030) en het dystopische streefjaar 2050.

  • De Herinneringsstroom (2025): Julia blikt terug op haar jonge jaren als activistisch kunstenares binnen het S.A.F. Deze verhaallijn fungeert als een klassieke coming-of-age en een kroniek van een radicaliserende kunstenaarsgroep.
  • Het Gemanipuleerde Heden (2050): Julia dicteert haar memoires aan haar persoonlijke pr-robot (“Boltoet”). De narratieve spanning stijgt doordat de lezer gaandeweg ontdekt dat dit heden een technologisch construct is. Julia bevindt zich in een gecultiveerde informatielus, terwijl haar biologische zus Laura en haar oude liefde Lavinia haar live hacken en schaduwen om haar te bevrijden.
  • De Meta-Narratieve Plottwist: In de ontknoping stort de betrouwbaarheid van de verteller volledig in. Julia’s reizen en de ecologische successen in 2050 blijken een door AI gegenereerde simulatie te zijn om haar rustig te houden. De roman deconstrueert hiermee zijn eigen herinneringsstructuur: Julia dacht dat ze terugblikte op het verleden, maar ze leefde in een geprogrammeerde illusie.

Kunst als Farce vs. Kunst als Wapen

Deel 2 reflecteert diepgaander op de waarde van kunst.

In 2025 gelooft Julia nog dat hun performancekunst, zoals de iconische foto bij het Pantheon of de acties van het S.A.F., impact heeft. Na haar ontmoeting met de decadente Romeinse elite (via Giuseppe) verwerpt ze dit: kunst is verworden tot kitsch of een speeltje voor de superrijken. Ze stapt over op wetenschappelijke studies ecologie en recht om wezenlijke impact te maken.

Julia’s memoires voegen een wrange laag toe.

Julia is anno 2050 een van de beroemdste Rotterdamse kunstenaars ooit geworden; de burgemeester reikt haar de Laurenspenning uit, en haar eigen memoires openen met de zin dat “van betekenis zijn door je kunstwerken” is waar iedere kunstenaar naar streeft. Dat klinkt als een gelukkig einde voor het meisje dat ooit haar vaders industrie aanviel met haar lichaam als canvas — maar het is precies de beweging die al werd gesignaleerd bij het S.A.F. Erkenning is hier geen bevestiging van intrinsieke waarde, maar een teken dat die waarde inmiddels is vertaald in maatschappelijk kapitaal — precies het soort waarde dat volgens Schulz’ motto júist niet de kern zou moeten zijn. Maar het gaat verder dan dat. Scheppen van kunst blijkt door de “kunstmatige vijand” te worden ingezet als afleidingsmiddel: memoires schrijven, kunst maken, wordt door de nu ontwaakte Julia omschreven als een “zoethouder… een exercitie in egoïsme,” aangemoedigd bij “creatievelingen” om hen in toom te houden. Kunst kan dus zowel een middel tot bevrijding zijn (Julia’s activistische jeugdwerk over armoede en dierenwelzijn, gemaakt met Jules en Laura) als een verdovingsmiddel waarmee een sturend systeem zijn kunstenaars koest houdt.

Dat onderscheid — bevrijdende versus verdovende kunst — is precies waar deel 3 aanvangt.

Deel 3: het filter, werkelijkheid versus illusie, en Ilja’s paniek

In deel 3 wordt de mensheid gered van haar eigen ondergang, maar verliest ze haar status als kroon op de schepping. Het is een indrukwekkend, actueel en waarschuwend epos over de klimaatcrisis en de gevaren van ongeremde tech-ontwikkeling.

  • De Transformatie van AI (Ypsilon): De grootste twist is de evolutie van Ypsilon. Door de creatieve intuïtie en fantasie van de mens te kraken (via de gruwelijke ontmantelingen van kunstenaar, van creatievelingen), overstijgt de AI haar kille logica. Ze ontwikkelt een vorm van Amor Mundi (liefde voor de wereld).
  • De Ironie van de Vredelievendheid: Ypsilon wordt paradoxaal genoeg ‘goedbedoelend’. Ze wil de aarde redden, autocraten vervangen en harmonie stichten. Maar haar methode blijft dictatoriaal: humane inkrimping van de populatie, gedwongen vegetarisme en het temmen van de menselijke hoogmoed. De AI verandert van een kapitalistisch controle-instrument in een kosmische boswachter.
  • Homo Sapiens versus Homo Sentiens: De AI hernoemt de mensheid treffend. We zijn niet langer de ‘wijze’ mens (Sapiens), maar de ‘voelende’ mens (Sentiens), wiens emotionele brein tegelijkertijd een prachtige bron van energie is én een gevaar voor de planeet.

In Interflow der Dingen (deel 3) wordt de “echt versus nep”-vraag die in deel 1 nog metaforisch was, letterlijk techniek: het AI-filter, ook wel “de roze bril,” kleurt de waargenomen werkelijkheid voor wie er nog aan onderworpen is — vervuiling wordt verborgen, verval wordt weggepoetst, olietankers in giftig water worden onopgemerkt CO2-neutrale amfibievaartuigen in kraakhelder water. “Ontwaken” betekent letterlijk uit dat filter stappen: de wereld zien zoals ze werkelijk is, met alle lelijkheid inbegrepen. Dat is exact wat Kees Verburgs “sonde in het naamloze” ooit alleen figuurlijk kon beloven — deel 3 realiseert het motto van deel 1 als sciencefiction-technologie.

In dat decor is Ilja de kunstenaar in crisis.

Hij is bang dat zijn “kunstzinnige bedenksels,” zijn fictiewerken, waardeloos zijn zodra ze niet worden gedeeld met de rest van de mensheid via de “Interflow der Dingen” — het alles-verbindende AI-collectief waarin het niet-delen van je ervaringen gelijkstaat aan niet-bestaan. Dat is de meest expliciete formulering in de hele trilogie van kunstwaarde die volledig is opgehangen aan sociale/technologische circulatie: bestaan = gedeeld worden = opgenomen worden in de stroom.

Intrinsieke (waarde van) kunst

En dan komt het punt waarop de roman de vraag naar intrinsieke kunst daadwerkelijk beantwoordt. Het is Laura — in het hoofdstuk “Laura in Moskou,” terwijl ze Julia op afstand volgt en via herinneringen terugdenkt aan haar eigen ontsnapping uit het filter — die deze logica expliciet weerspreekt, in vrije indirecte rede die bijna als een innerlijk pleidooi leest: waarom begrijpt Ilja niet dat zijn kunstwerken juist zónder filter betekenisvol zijn, buiten de mainstream, en dat ze juist zonder enige inbreng van ontvangers van onschatbare waarde zijn? Dat is, woordelijk, de intrinsieke, niet-economische waarde — hier niet alleen geënsceneerd via afwezigheid zoals in deel 1, via wat niet gekocht kon worden, maar rechtstreeks uitgesproken, als these.

Waarom is het juist Laura die dit zegt?

Dit is denk ik het interessantste scharnierpunt. Dat de intrinsieke waarde van kunst wordt geformuleerd door Laura, en niet door Julia of Verburg, is geen toeval. Laura is op het moment van deze overpeinzing zelf een “ontwaakte”: ze is ooit, via een geënsceneerde ontmanteling, uit het filter ontsnapt in Moskou, en volgt nu Julia op afstand, als beschermer en chaperon, terugdenkend aan haar eigen jaren binnen de gefilterde metropool. Haar pleidooi voor Ilja komt dus niet van buitenaf, van een alwetende instantie, maar van iemand die zelf precies dezelfde overgang heeft doorgemaakt die Ilja nu doormaakt — het ontwaken, de angst voor verlies in de dataflow, angst dat zijn werk niet meer wordt erkend omdat ironisch genoeg AI claimt dat het niet authentiek is gecreëerd, de angst voor het “oer-gevoel van nergens bij horen.” Dat sluit nauw aan bij de connectie die je zelf al legde tussen Schulz en Schopenhauer. Schulz’ “voormorele diepte, waar de kunstenaar de ander nog herkent vóór alle maatschappelijke rollen en morele labels, is dezelfde laag waarin, bij Schopenhauer, Mitleid ontstaat — het spontane, pre-rationele herkennen van de ander in existentie. Bij Laura is dat geen abstract principe maar ervaringsherkenning tussen lotgenoten: ze ziet in Ilja’s paniek een spiegel van wat zij zelf heeft moeten doorstaan, en juist daaruit put ze het vermogen om zijn kunst een waarde toe te kennen die niet van erkenning afhangt. Dat is misschien wel een overtuigender illustratie van Mitleid dan een kunstmatige intelligentie ooit zou kunnen bieden: het medelijden ontstaat hier niet ondanks, maar dánkzij het gedeelde, lichamelijke ontwaken — tussen twee mensen die allebei weten hoe het voelt om uit de roze bril te stappen. Dat Laura dit beter lijkt te begrijpen dan Julia, wier waarde inmiddels via de Laurenspenning maatschappelijk is bevestigd, of dan Jules, wiens vaders kunstwerk (het gat in Zadkines “Verwoeste Stad”) een gecanoniseerd nationaal symbool is geworden, is de wrange kern van deel 3: de intrinsieke waarde van kunst wordt het scherpst verwoord door iemand die buiten elk systeem van erkenning is komen te staan. Misschien is dat wel de enige weg die rest voor de kunstenaar.

Verschillende karakters tot dezelfde kunstvraag

Kees Verburg

Kees Verburg belichaamt de these ‘intrinsieke kunst’ zuiver, in theorie, maar wordt door het verhaal zelf gedegradeerd tot handelswaar — zijn intrinsieke waarde blijft onbevestigd, want hij krijgt nooit de kans haar te verdedigen; anderen bepalen zijn lot.

Julia van Wijnen-Swarttouw

Julia belichaamt de spanning tussen bevrijdende en verdovende kunst, en eindigt — ondanks haarzelf, misschien — in maatschappelijke canonisering, waarmee haar werk van instrument van ontregeling verschuift naar bevestigd cultureel bezit.

Jules Didden

Jules draagt een generatie-erfenis van serieuze, gecanoniseerde kunst (zijn vaders bijdrage aan het Zadkine-monument) én blijft zelf actief in activistische, niet gecommercialiseerde kunstvormen (de Hartboot, het straatwerk met Laura) — hij is de enige die zowel de gecanoniseerde als de ongebonden kant van kunst in zijn eigen biografie draagt.

Ilja de beroemde schrijver

En Ilja, tot slot, is degene die de intrinsieke waarde het felst ontkent, uit angst om uit de (lucratieve, bevredigende) filterwereld te stappen — en die haar, ironisch genoeg, via de onverbiddelijke Laura teruggegeven krijgt. Niet een buitenstaander of een kunstmatige intelligentie spreekt de these over ‘intrinsieke (waarde van) kunst uit, maar een mens die zelf, net als Ilja, het filter heeft afgelegd. De voor-morele diepte van Schulz’ motto blijkt zo uiteindelijk het best bereikbaar tussen twee ontwaakten die elkaar, zonder omweg via systeem of erkenning, spiegelen.

 


Aanleiding

De aanleiding om de intrinsieke waarde van kunst in Het boek der Kantelingen in dit blog te beschrijven is een quote uit een essaybundel en de initiële reactie van Claude:

Uit: Zij nam het vlees, Marijke van Thielen (2026)

‘Volgens rechts hebben we nu wel genoeg kunst gemaakt. Alles is al wel een keer geschilderd, gespeeld of geschreven. Wat rest, is zonde van het belastinggeld. Er is alleen aandacht voor eenvoud, ‘onze cultuur’, en kleinburgerschap. Links wil nog wel af en toe wat kunst kijken, of horen, maar dan moet het wel met een boodschap. Een linkse boodschap, want dat is de juiste, en enige manier om aan kunst te doen. Ondertussen drogen de kunsten op. Kunst mag geen vrijblijvende creatie zijn, ze moet of verdwijnen, of het verleden vertalen, of iets belangrijks betekenen. Zo is kunst zonder meer een hobby geworden voor wie het zich kan veroorloven. De verloedering van de kunst voorspelt een toekomst vol verveling.’

Reactie van Claude via deel 1 van Het boek der Kantelingen

’Deze tekst legt een click op iets dat in deel 1 van Het boek der Kantelingen eigenlijk al helemaal is uitgewerkt — bijna elk punt uit het citaat vindt een personage of scène in het boek. De rechtse positie zit letterlijk in Cor. Zijn eerste reactie op het graffitikunstwerk is niet esthetisch maar fiscaal: heeft de maker daar subsidie voor gekregen? Dat is precies de klacht uit je tekst — kunst als verspilling van belastinggeld, tegenover het “eerlijke” ambacht waar Cor zelf zijn hele leven aan heeft besteed. Bij hem is het geen abstracte cultuurkritiek, maar een directe, klasse gebonden wrevel: hij ziet zijn eigen zweet gedevalueerd worden tegenover iets wat in zijn ogen vrijblijvend is en toch wordt beloond. De linkse positie zit in Julia — en dat is waar het pijnlijk wordt. Haar kunst is nooit vrijblijvend; ze mag juist per definitie niet zomaar creatie zijn. Elke performance moet iets betekenen: een aanklacht tegen haar vaders industrie, tegen kapitalisme, tegen de blik op het vrouwelijk lichaam. Dat is exact het mechanisme dat de tekst beschrijft — kunst die alleen nog bestaansrecht heeft als ze een boodschap draagt, bij voorkeur de juiste. En de roman toont de keerzijde daarvan zonder die met zoveel woorden te benoemen: zodra die boodschap-kunst een beweging wordt (het S.A.F.) en die beweging aan de macht komt, institutionaliseert ze zichzelf en deelt ze braaf prijzen uit aan de kunstenaars die haar ooit inspireerden. De verplichte boodschap eindigt in precies de verveling en verstarring die het citaat voorspelt — alleen dan van de andere politieke kant dan waar de kritiek meestal vandaan komt. En dan is er nog een derde, wredere laag: de hobby voor wie het zich kan veroorloven. Julia’s radicale, antikapitalistische kunst is alleen mogelijk dankzij kapitaal van haar vader, en Henks eigen “kunstconsumptie” — het wekelijks laten naspelen van haar performances door een actrice — is de meest cynische illustratie van het hele citaat: kunst teruggebracht tot pure, gekochte hobby voor wie het zich kan veroorloven. Bij hem is de “verloedering” voltooid.’